zaterdag 27 november 2021

Alles over Dordrecht

Het beeld bij de Dordtse eregraven

Tachtig jaar geleden werd basis gelegd voor gedicht de achttien doden waaronder Dordtenaar Leendert Keesmaat

13 maart 2021 (door de redactie)

DORDRECHT - Het is 13 maart 2021 precies tachtig jaar geleden dat achtten verzetsmensen werden doodgeschoten op de Waalsdorpervlakte nabij Den Haag. Tot de geschiedenis van Dordrecht behoort Leendert Keesmaat, die een eregraf heeft op de Essenhof. In Vlaardingen, Maassluis en Dordrecht besteden beiaardiers vandaag aandacht aan het historische feit in 1941.

In de regel worden herdenkingen altijd inhoud gegeven met het volkslied, psalm 43 en het gedicht van de achttien doden. Daarbij past het gedicht van Jan Campert ook bij Dordtse historie:

De achttien doden

De namen:

Van de achttien geëxecuteerden behoorden er vijftien tot de Geuzengroep: Jan Wernard van den Bergh, George den Boon, Reijer Bastiaan van der Borden, Nicolaas Arie van der Burg, Jacob van der Ende, Albertus Johannes de Haas, Leendert Keesmaat, Arij Kop, Dirk Kouwenhoven, Jan Kijne, Leendert Langstraat, Frans Rietveld, Johannes Jacobus Smit, Hendrik Wielenga en Bernardus IJzerdraat. De andere drie waren communistische Februaristakers (Hermanus Coenradi, Joseph Eijl en Eduard Hellendoorn)

Het gedicht van Jan Campert

Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.

O lieflijkheid van lucht en land,
van Hollands vrije kust –
ééns door den vijand overmand,
vond ik geen uur meer rust;
wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdelen strijd.

Ik wist de taak die ik begon
een taak van moeiten zwaar,
maar 't hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geëerd,
voordat een vloekb're schennershand
het anders heeft begeerd,

voordat die eeden breekt en bralt
het misselijk stuk bestond
en Hollands landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond,
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk germaansch gerief,
een land dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.

De rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie;
zoo waar als ik straks dood zal zijn,
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
noch slapen mag met haar –
verwerp al wat hij biedt of bood
die sluwe vogelaar.

Gedenkt, die deze woorden leest,
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan 't allermeest
in hunnen rampspoed groot,
zooals ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk,
er komt een dag na elke nacht,
voorbij trekt ied're wolk.

Ik zie hoe 't eerste morgenlicht
door 't hooge venster draalt –
mijn God, maak mij het sterven licht,
en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw genâ,
opdat ik heenga als een man
als ik voor de loopen sta.

— Jan Campert, Het lied der achttien dooden

Zie ook:

Deel dit bericht met je vrienden!