Tekst betrokken, sociale Henry Nouwen lezing in Dordrecht van journalist / columnist Kees Thies

25 januari 2023 • 09:50
Tekst  betrokken, sociale Henry Nouwen lezing in Dordrecht van journalist / columnist Kees Thies
Henry Nouwen

DORDRECHT - De traditionele bewogen Henry Nouwen lezing in Dordrecht werd dinsdagavond in een overvolle Trinitatiskapel uitgesproken door journalist/columnist Kees Thies, die ook bekend is van AD De Dordtenaar.

Psalm 91 werd speciaal gezongen, want dat was een lied dat hoorde bij de sociale betrokkenheid van Henry Nouwen. Ook klonken Taize-leideren.

(de tekst van de lezing volgt na de inleiding)

Kees vertelde over zijn betrokken journalistieke loopbaan en hoe hij eindelijk thuis is gekomen in zijn Dordrecht. Eindelijk thuis is ook het bekendste internationale boek van de op 24 januari 1932 geboren priester/psycholoog Nouwen, die in 1996 overleed.

In Dordrecht is jaarlijks aandacht voor Nouwen, die tijdens zijn leven bevriend was met Dordtenaar Ton Delemarre, die inmiddels 90 jaar is. In de kerk in de binnenstad was geen stoel onbezet.

Rode lijn

Een rode lijn in het verhaal van Kees Thies was het geven van een naam en een verhaal aan mensen, die onzichtbaar leven in Dordrecht. Volgens Kees Thies telt Dordrecht dertig illegale stadsgenoten, maar het kunnen er ook zestig zijn, want ze zijn onzichtbaar. Waarom die keus door mensen wordt gemaakt om liever onzichtbaar te blijven in Dordrecht dan in hun vaderland, werd door Kees Thies onder woorden gebracht.

Hij vertelde in zijn lezing over ontmoetingen op straat met mensen, die tot dak- en thuislozen worden getekend en wat hem dat doet.
,,Met een inspirerende en sociaal bewogen lezing door , met als thema: "hoe gaat het met je?". #omziennaarelkaar".
Dat was de reactie op twitter van oud-CDA raadslid Theo Oostenrijk.


Ds. Dick Steenks reageerde op de volgende wijze op twitter:
,,Inspirerende en confronterende Henri Nouwen-lezing door
@keesthies over de onzichtbare mens in de stad. Mensen met een naam maar verborgen identiteit: "Hoe is het met je?" Laurent Nouwen: "de behoefte van de ander is vaak dezelfde behoefte als van jezelf. Aandacht..."

De Henry Nouwen - lezing van Kees Thies


Prachtige stad

Wist u, dames en heren, dat er in onze prachtige stad ook mensen wonen die hélemaal niet bestaan? Nou ja… natuurlijk bestaan ze wel, maar ze leven in een parallelle wereld… ze leven in de schaduw… op papier zijn ze er niet eens… u komt ze ook vast niet tegen…en als u ze wél tegenkomt dan was u zich ongetwijfeld niet bewust van het feit dat u naar ‘een onzichtbare’ keek.
Waarom ik mijn lezing vandaag met deze woorden begin, zal u straks duidelijk worden.

Ik zit - deze maand toevallig - precies veertig jaar in dat prachtige, soms wrange, soms heerlijke maar nog altijd ó zo boeiende vak dat we aanduiden als ‘de journalistiek.’ Een vak trouwens dat de laatste tijd steeds meer onder vuur is komen te liggen.  Uit een onderzoek van vorig jaar kwam naar voren dat ruim 80 procent van alle journalisten in dit land wel eens te maken heeft gehad met geweld of intimidatie. Gevolg hiervan is dat veel van mijn collega’s de laatste jaren stukken voorzichtiger te werk gaan… bijvoorbeeld door zich, bij demonstraties, manifestaties of politieke bijeenkomsten niet altijd meer ál te openlijk te manifesteren als journalist.

Om maar eens een voorbeeld te noemen: van de camerawagens van de NOS zijn, jaren geleden alweer, de aanduidingen verwijderd… een maatregel die destijds veel aandacht trok en die tot grote discussie in het land leidde. Wat echter veel minder zichtbaar is, is de angst en voorzichtigheid die onder veel van mijn collega’s leeft.

Ik ken persoonlijk al meerdere vakgenoten die vandaag de dag niet eens meer naar… ik noem maar wat voorbeelden… een anti-cornonamaatregel-demonstratie, een pro- (of anti)zwarte Piet-demonstratie, of een Schevenings vreugdevuur durven te gaan. Dit als gevolg van intimiderende situaties die ze bij eerdere van dit soort bijeenkomsten hebben ervaren.


Als journalist, met inmiddels héél veel vlieguren, heb ik inmiddels ook wel het een en ander aan dreigementen op mijn bordje gehad: dreigbrieven, een incidentele kogelbrief zelfs, politiebewaking bij mijn huis en – maar dát is inmiddels bijna dagelijkse kost – veel scheldkanonnades via de sociale media.



Ik laat me er niet door uit het veld slaan… nee, niet omdat ik nou zo’n held ben, maar omdat de soep meestal niet zo heet wordt gegeten als ‘ie wordt opgediend. Daarbij komt dat dit vak mij in de loop der jaren ook zóveel positieve dingen heeft gebracht.


Het is bijvoorbeeld dankzij de journalistiek dat ik in mijn werkzame leven dikwijls heb mogen kennis maken met mensen die ik, had ik voor een andere professie gekozen, misschien wel nooit en te nimmer ontmoet zou hebben.

Die ‘onzichtbare man’ over wie ik dit betoog begon, is daar een mooi voorbeeld van. Ik ken er inmiddels meer trouwens… onzichtbare en dus eigenlijk niet bestaande mensen… allemaal woonachtig op dit eiland. Van sommigen ken ik hun voornaam, hun afkomst en hun levensverhaal. Ik weet dat ze, óók in mijn stad, al jaren ‘overleven’ met wat hulp van vrienden en liefdadigheidsinstanties.

We noemen ze illegalen, maar dat is eigenlijk een aanduiding die de lading niet helemaal dekt. Niet alle illegalen immers zijn onzichtbaar in dit land. Er zijn er helaas ook die helemaal nérgens geregistreerd staan… die niet in de een of andere opvang verblijven, die geen enkele status hebben, geen papieren kunnen overleggen en die dus officieel niet eens een naam en een nationaliteit hebben.

Nou ja, die hébben ze natuurlijk wel, maar die krijg je aanvankelijk niet te horen, want zonder naam en nationaliteit kan een overheid je niet terugsturen… want eh… waarheen dan?

Hoeveel illegalen Dordrecht herbergt is onbekend, want ze staan dus - zoals ik al aangaf - nergens geregistreerd en waar ze dus precies vandaan komen staat natuurlijk niet op hun voorhoofd geschreven.
Volgens de instanties die ik er op aansprak leven er in Dordt ongeveer dertig illegalen maar een bevriende arts die er enkelen ‘con amore’ in zijn patiëntenbestand heeft staan, vertelde me dat het er minstens twee keer zoveel moeten zijn.

Jaren geleden sprak ik Rahim, die in zijn vaderland verpleegkundige was. In welk land? Nee, dat wilde hij in eerste instantie ook niet aan mij, vertellen… Syrië, Libië, Irak, Afghanistan, Koerdisch gebied ergens rond Turkije?

,,Het is inderdaad érgens daar in die regio,’’ vertelt hij me. ,,Maar ik noem de naam van het land niet, want als ik het niet zeg kan ik ook niet worden teruggezonden.’’

Hoe het ook zij… juist zijn baan als verpleegkundige bracht Rahim daar ernstig in de problemen.

Ik ontmoette hem trouwens min of meer bij toeval… na een vergadering over een armoededebat, waar ik de beoogde gespreksleider was. Ik hing daar, na een voorbereidend gesprek, nog wat rond en hij nam zomaar ineens naast me plaats aan het tafeltje waar ik koffie dronk.

Na onze kennismaking en na nog wat beleefd gekeuvel over dat debat vertelde hij mij zijn verhaal. Dat deed hij trouwens in goed verstaanbaar Nederlands, want - zo bleek - hij woonde hier inmiddels alweer vele jaren.

Veel van mijn columns – ik schrijf er nu al ruim 12 jaar elke dag eentje – komen tot stand na ontmoetingen en ook in dit geval schreef ik hier dus, voor de krant van de dag daarop, een column over. Dit echter is de gedetailleerde versie van Rahim’s verhaal:

Ik citeer hem:

,,Er was een bomaanslag op het marktplein en er kwamen veel gewonden naar de ziekenhuistent. Dan moet je dus héél snel beslissen wie je als eerste helpt. Dat soort keuzes maak je op basis van wat je op dat moment móet doen om een leven te redden. Vooral gewone burgers waren het slachtoffer, maar op een bepaald moment werd er ook een soldaat van het regeringsleger binnen gebracht.

Ik onderzocht hem en kwam al snel tot de conclusie dat hij slechts licht gewond was. En om die reden dus hielp ik hem niet meteen. Mensen met levensbedreigende verwondingen – en daar waren er op dat moment écht véél van – gaan nu eenmaal altijd vóór.


Maar dát pikten zijn collega-soldaten niet. Zij eisten op hoge toon dat ik hun maatje eerst zou helpen. Ik weigerde dat en legde ook uit waarom, maar dat had - zo bleek al snel - geen enkele zin. De boze soldaten sleurden me naar buiten, sloegen me in elkaar en voerden me af naar de gevangenis. Daar zat ik een half jaar vast, zonder enige vorm van proces of wat dan ook.

Op een dag mocht ik weer naar buiten, maar ik was nergens meer welkom… niet in het ziekenhuis en ook niet in mijn woning, die ik via het ziekenhuis huurde. Ik was ineens een paria geworden in mijn eigen land en ik kwam ook nergens meer aan de bak.

Maanden achtereen heb ik geprobeerd werk te zoeken, maar als ik ergens mijn papieren moest overleggen werd ik met angst of zelfs vijandigheid bejegend.

Toen heb ik besloten om te vertrekken.

Uiteindelijk kwam ik, via vrienden van vrienden, na een lange reis terecht in Nederland, maar het werd me al snel duidelijk gemaakt dat ik hier geen enkele kans zou maken op een permanente verblijfsstatus.

Waarom niet? Omdat het land waar ik vandaan kwam nou juist op dát moment bekend stond als een relatief veilig ‘terugkeerland.’ Had ik dus mijn ware identiteit prijs gegeven dan liep ik grote kans te worden teruggezonden naar een land waar ik mijn leven niet zeker ben.

En dus ben ik de illegaliteit ingedoken, want liever leef ik hier in armoede en volstrekte anonimiteit dan als paria of ‘vijand van de staat’ in mijn vaderland.’’

Rahim woonde – ik zei het al – toen ik hem voor het eerst sprak alweer een jaar of tien illegaal in Dordrecht. ,,Ik voel mij inmiddels zelfs écht Dordtenaar’’, zo vertelde hij me,  ‘’ maar tóch hoor ik er niet bij, want formeel ben ik hier niet… formeel besta ik namelijk niet.’’

Aan het einde van ons gesprek vroeg ik Rahim wáárom hij me zijn verhaal vertelde en of ik misschien iets voor hem zou kunnen betekenen. Zijn antwoord voelde verstikkend aan: ,,Omdat ik in het land waar ik geboren ben mijn leven niet zeker ben leef ik noodgedwongen hier. Alleen hier heb ik geen enkel perspectief en een leven zonder perspectief is eigenlijk geen leven.

In Nederland ben ik onzichtbaar en dat móet ik ook zijn om niet te worden opgepakt. Maar als jij een column over mij schrijft… dan besta ik tenminste…’’

Laat die woorden eens goed tot u doordringen… als jij over mij schrijft… als jij mijn naam noemt… dan besta ik tenminste.

Die avond in mijn bedje kon ik de slaap niet vatten… hoe kan iemand, van ongeveer mijn leeftijd, zó’n totaal ander leven hebben dan ik? En die mensen duiden we aan als gelukszoekers? Is dat dan een scheldwoord… gelukszoeker? We zijn toch allemaal op zoek naar geluk? Is dat trouwens niet één van de puzzelstukjes in onze gemeenschappelijke zoektocht naar ‘de zin van het bestaan’… de zoektocht naar geluk?

Daar kom ik straks op terug, maar eerst wil ik u graag vertellen wat die ontmoeting met Rahim voor mij persoonlijk betekende, of beter gezegd, veranderde.

Daarvoor moet ik terug naar het begin van mijn loopbaan… naar de jaren dat ik zó zeker wist dát ik journalist wilde worden, maar me nog niet écht druk maakte over het waaróm van die ambitie.

Ik bedoel… ja, leuk vak natuurlijk… veelzijdig vooral, opwindend soms… nooit saai en als je, zoals ik, van intermenselijk contact houdt en graag wat kennis op doet over de drijfveren van anderen, tja… dan is het géén verkeerd streven om journalist te willen worden.

Maar weet je? Daar denk je in je jonge jaren nauwelijks over na hoor zo hóórt dat ook; je bent als jongeling vooral enthousiast, ambitieus, onkwetsbaar en voor je gevoel ook nog eens onsterfelijk en dus ben je met hele andere dingen bezig dan ‘de wereld behoeden voor onrecht’… iets dat je natuurlijk wél luidkeels verkondigt als je kersvers op de Academie voor Journalistiek zit. ,,Hallo mensen… hier bén ik dan… ik ga de wereld verbeteren.’’

Nee, carrière maken… scoren, jezelf een plek veroveren in het medialandschap… dáár draait het aanvankelijk om. Ik wilde bijvoorbeeld correspondent in Londen worden.


Waarom? Tja, verliefd op die stad, op de muziek, op het voetbal, de kranten op Fleet Street, de dubbeldekkers, de zwarte taxi’s, Piccadilly Circus ‘by knight’ ofwel die British way of life, die zóveel opwindender leek dan een jeugd in de destijds nog niet eens voor een kwart afgebouwde nieuwbouwwijk Sterrenburg.  

Dáár bracht ik een groot en heerlijk deel van mijn jeugd door. Ik zat er op een basisschool in een klas met niet meer dan zes kinderen, speelde op half braakliggende bouwterreinen en kuste mijn eerste vriendinnetje in het hooi van het boerenland waar nu die, destijds zo verafschuwde Lego-woningen staan.

De fonkelnieuwe nieuwbouwwijk waarin ik opgroeide was een kolonie op zich… een buurt bevolkt door Rotterdammers (vanwege de woonruimte) en Brabanders (vanwege werk). Het Sterrenburg van mijn jeugd was een wijk waar trottoirs en lantarenpalen op sommige plekken nog lange tijd ontbraken, waar veel tuintjes nog niet omheind of betegeld waren en waar het bezoek van de SRV-man en de bezorger van de Leesmap, de hoogtepunten van winterse dagen vormden. Een plek ook waar buren elkaar en elkaars geschiedenis kenden, simpelweg omdat ze allemáál ‘new in town’ waren.

De Sterrenburgers van het eerste uur (nu tachtigers) hadden iets van een pioniersmentaliteit en straalden goede wil uit… zoiets van… we gaan er met z’n allen iets moois van maken. Als ik er nu zo over nadenk zie ik ineens de overeenkomsten met Rahim. De Sterrenburgpioniers van een halve eeuw geleden waren namelijk ook gelukszoekers.

Alleen voor jongeren viel er in het Sterrenburg van de vroege jaren zeventig weinig te beleven: de bieb in de houten keet, waar je maximaal drie stripboeken mee naar huis kreeg, was zo’n beetje het enige wereldse uitstapje en de grote mensenwereld lag aan het eind van een ritje met buslijn 5 of 7, waar de oude binnenstad zo veelbelovend lonkte in lichtreclames van winkels en café’s.

Wat ook lonkte was die grote wereld daarbuiten. De wereld van Peter Brusse dus die zich in het immer bruisende Londen bevond en niet te vergeten diens broer Jan. Die verslag deed vanuit het misschien nog wel bruisender Parijs. Dát was de wereld waar ik deel van uit wilde maken…dát was aanvankelijk MIJN zoektocht naar geluk. Achteraf misschien wat naïef, maar eh… wat wist ik nou eigenlijk helemaal?

Mijn journalistieke lampje was trouwens al min of meer ontstoken door ene Lou Grant, hoofdredacteur van de fictieve krant The Los Angeles Tribune in de gelijknamige televisieserie. Hij en de journalisten die bij die krant werkzaam waren, losten grote schandalen op en trokken met hun verhalen recht wat krom was in de samenleving.

Als jochie van 17 verslond ik die serie en ik wist ineens héél zeker dat ik, ‘later als ik groot ben’ bij de krant wilde werken. In de praktijk heb ik overigens zelden zo’n wijze en vaderlijke hoofdredacteur als Lou Grant meegemaakt, al kwam wijlen Herman Wigbold van het Vrije Volk qua persoonlijkheid nog het meest in de buurt.

Van mijn stageperiode (bij Het Vrije Volk dus) herinner ik me dat hij nog wel eens op een puntje van mijn bureau ging zitten om te vragen hoe het ging, vervolgen kreeg ik dan wat ‘tricks of the trade’ om de oortjes geslingerd en dan verdween hij weer naar zijn hoofdredactionele ‘hok’… vaak mét mijn aansteker (iedereen rookte nog) die ik natuurlijk niet terug durfde te vragen. Mijn latere, Lou Grant-achtige mentor (ik werkte inmiddels bij de televisie) was overigens de al vele jaren geleden overleden Henk Terlingen, die u wellicht nog kent als Apollo Henkie.

Van beide heren leerde ik het volgende: ambitieus zijn en hart hebben voor het vak is een mooi ding, maar in dit vak zul je nooit slagen als je geen hart en geen oprechte belangstelling hebt voor je medemens. Het zijn van die opmerkingen die je veel later pas écht gaat begrijpen.

Van de serie Lou Grant sloeg ik in mijn jonge jaren nooit een aflevering over, al kwam ik pas in de praktijk, tot de ontdekking dat journalisten in Nederland zelden moordzaken oplossen en over het algemeen ook niet vermoord worden.

Van het tragische lot dat Theo van Gogh en Peter R. de Vries, vele jaren later, zou treffen, had ik toen natuurlijk nog geen vermoeden. De serie Lou Grant stopte overigens in 1982, het jaar dat ik mijn diploma haalde op de Tilburgse Academie voor Journalistiek.

En toen lag die ‘wereld van Lou Grant’ zomaar ineens voor me open… alleen die begon niet in Los Angeles, maar in Zwijndrecht, alwaar ik voor Dagbad De Dordtenaar (destijds nog zelfstandig) niet alleen Zwijndrecht, maar ook Hendrik-Ido-Ambacht en Heerjansdam mocht coveren.

Nee, geen moordzaken en politieke schandalen nog, maar verhalen over verbouwingen in de kinderboerderij en de aanleg van zebrapaden. En verder… aankondigingen maken van bingo-avonden en verslag doen van concerten van de accordeonclub en tentoonstellingen van vogelvereniging De Volière.

Ach… een mens moet érgens beginnen toch?

Na een jaartje al trad ik toe tot de stadsredactie van de krant en al snel ook kwamen daar de wat grotere verhalen mijn kant op. Politie en rechtbank hadden mijn bijzondere belangstelling,

Voor het eerst in mijn loopbaan werd ik geconfronteerd met behoorlijk heftige gebeurtenissen, waaronder de moord op een, naar later bleek, onschuldige jongen in Papendrecht, de vermissing van een meisje (Germa) in ’s Gravendeel (het is nog altijd een raadsel waar ze is gebleven), de zelfgekozen dood van een wethouder op dit eiland en de ontvoering van een baby uit het toenmalige Dordtse gemeenteziekenhuis.

Met ziel en zaligheid en zonder nog al te veel ‘last’ van gevoeligheden stortte ik me, jaren achtereen, op al die onverkwikkelijke gebeurtenissen. Voor ik het eigenlijk goed en wel besefte was ik op een gegeven moment alléén nog maar bezig met de ellende die mensen elkaar helaas maar al te vaak aandoen.

Zat ik daar destijds mee? Nee, eerlijk gezegd niet… althans, aanvankelijk niet. Misschien had dat wel te maken met de ongebreidelde ambitie die nu eenmaal bij jeugdigheid past. Feit is in ieder geval dat die grote zaken de aandacht trokken van de landelijke media en dus ook aandacht op mijn persoontje genereerden. Toen ik beginjaren negentig besloot om bij de krant te vertrekken had ik de banen dan ook voor het uitkiezen.


En zo kwam ik in Hilversum terecht, waar ik jaren achtereen werkzaam was in de wereld van de talkshows. Pas dáár eigenlijk – inmiddels was ik dertiger – drong na enige tijd keihard tot me door dat de ellende van de een soms het amusement van de ander is. Dat ging me na enige tijd ook serieus tegen staan omdat bepaalde zaken me – zeker toen ik zelf eenmaal vader was geworden – echt serieus begonnen te raken.

En nee, niet dat ik daardoor nou een hekel aan mijn vak ging krijgen… integendeel zelfs: ik ging het vak alleen nog maar mooier vinden, juist omdat ik mijn gevoelens meer toeliet, waardoor ik ook meer oog en oor kreeg voor de gevoelens van de mensen met wie ik, voor welk onderwerp dan ook, in aanraking kwam.

Niet langer draaide het louter om scoren en een goed onderwerp neerzetten, maar juist om de emoties en de achterliggende motieven  die daarbij een rol spelen. Ik ben er van overtuigd dat juist het toelaten van gevoelens mij uiteindelijk een completer journalist en hopelijk ook een ‘bewuster’ mens hebben gemaakt.

Toen ik, in de beginjaren van deze eeuw, bij mijn krant terugkeerde (nu in een leiding gevende positie) was het ook eigenlijk niet meer dan logisch dat ik uiteindelijk de rol van columnist op me zou nou nemen.

Eigenlijk zou ik willen zeggen… om maar eens een titel van Henri Nouwens – in mijn ogen - belangrijkste boek aan te halen… Eindelijk thuis.

Waarom? Omdat ik vanaf dat moment pas écht kon en mócht doen wat mijn hart mij in gaf… schrijven over mensen… schrijven over echte mensen.

Ik trad ook uit vaste dienst en ging dus mijn geld verdienen met louter als ‘handvat’ mijn eigen creativiteit… met mijn eigen drijfveren als fundament en leidraad. Ik voel daar een zekere verwantschap met Henri Nouwen… terug naar de basis gaan… één op één, met de mensen om je heen… dát is werkelijk thuis komen.

Want ja… pas in mijn functie als columnist kon ik aandacht besteden aan die mensen die ik dagelijks in mijn directe leefomgeving waarneem… mensen aan wie we vaak zomaar voorbij gaan: zwervers, daklozen, verslaafden, eenzaten… mensen vaak in een niet bepaald florissante levensfase.

Hoe je met die mensen in gesprek raakt? Tja… daar moet je natuurlijk wél voor open staan.

Het begint altijd met oogcontact… niet zelden met een bijbedoeling… namelijk een verzoek om wat geld of een sigaretje. Dan volgt al gauw een gesprekje en uiteindelijk is een levensverhaal snel verteld. Ik heb daar vaak over geschreven… over die veelal tragische levensverhalen die, in grote lijnen, ernstig op elkaar lijken. U treft veel van die verhalen aan in mijn jubileumboek dat ik u, na afloop van deze lezing, graag cadeau doe.

Toen ik nog maar nét columnist was – ik denk hooguit een paar weken – opende een ontmoeting met een ouwe schoolmakker op de Vriesebrug me voor het eerst écht de ogen. Het was een koude dag en het was glad, maar ik had zin in kibbeling en op de Vriesebrug staat een viskraam. Terwijl ik daar mijn bestelling doe zie ik op een bankjes een broodmagere man zitten. Hij hangt wat voorover gebogen en zijn ogen, hoewel nauwelijks zichtbaar vanwege lange slierten ongewassen haar, schieten alle kanten op.

Ondanks dat lange haar, een overblijfsel uit de ‘early seventies’, is hij aan de bovenkant al behoorlijk kaal. Er bevinden zich wondjes op zijn gezicht en het toch al niet florissante totaalplaatje wordt  afgemaakt door een enorme hangsnor, waarin zich overduidelijk nog een restvoorraadje gele vla bevindt.

Ik ken hem… of beter gezegd, ik hérken hem. Het is Arnout, ooit klasgenoot op de middelbare school, en nu – maar dat ontdekte ik pas nadat hij me zijn verhaal verteld had – verslaafd, ziek en dakloos. 

We raakten in gesprek en sinds die eerste ontmoeting geef ik hem wekelijks een eurootje en hij neemt mijn geld aan als een vanzelfsprekendheid. Een bedankje zit er nooit in en dat hóeft ook niet: Arnout ziet mijn bescheiden donaties als een vorm van boetedoening omdat ik het, in zijn ogen, nu eenmaal beter getroffen heb dan hij.

Hij had nog gelijk ook… we zijn generatiegenoten, voetbalden en stapten samen en ooit lagen onze toekomstperspectieven niet ver uiteen.
Hoe groot is inmiddels het contrast met onze tienerjaren, toen Arnout op school een bijzondere verschijning was… intelligent, aantrekkelijk en altijd haantje de voorste… in het gymlokaal, op het voetbalveld, maar vooral op schoolfeesten bij de meisjes.

Het was in 1979 dat we samen in het café een afscheidsborrel dronken: Arnout ging verhuizen naar Amsterdam waar hij het als schrijver, maar in eerste instantie als student Nederlands en Engels, hélemaal zou gaan maken. Daar waren we van overtuigd.

Wat er sinds die afscheidsborrel allemaal precies gebeurd is ben ik nooit precies te weten gekomen.  Natuurlijk… ik heb hem dat – op dat bankje op het Vrieseplein – allemaal wel gevraagd, maar zijn  antwoorden waren onsamenhangend en ontwijkend.

Pas veel later hoorde ik wat hem allemaal is overkomen: een incest-trauma dat pas boven kwam drijven toen hij eenmaal in Amsterdam woonde en dát leidde weer tot een totale ontsporing, die gepaard ging met veel drank- en drugsgebruik.

Gevolg in vogelvlucht: studie niet afgemaakt, twaalf ambachten dertien ongelukken, een relatie die op de klippen liep, twee niet erkende kinderen, familieruzies, familierechtszaken, een karrenvracht aan schulden, drank en drugs om de pijn van het leven te verzachten, een paar winkeldiefstallen en zelfs een inbraak om die hang naar drank en drugs te kunnen bekostigen, een aanhouding, knokken met de politie, een celstraf en daarna… tja, waar ga je heen als je uit de bak komt en er is niemand die op je wacht?

Zo ontstaat (in vogelvlucht) ‘een leven op de keien.’

Nog jaren lang hadden Arnoud en ik incidenteel contact op en rond het Vrieseplein, waar vlakbij een filiaal van Yulius gevestigd was, waar het Leger des Heils op loopafstand zit en waar je bij de plaatselijke supermarkt voor weinig geld een sixpack bier kunt kopen en een rol aluminiumfolie om crack te roken.

Toch sliep Arnoud zelden bij het Leger des Heils, want hij bleef daar nachten lang wakker om, op die gemeenschappelijke slaapzaal zijn spulletjes te bewaken. Nee, als het buiten niet ál te koud was sliep hij onder de Sint Jorisbrug. Niet élke nacht trouwens, want steeds was het weer afwachten of z’n matras er de volgende avond nog lag.

Eerst waren het baldadige jongeren die zijn spullen (waaronder dus zijn matras en slaapzak) in de Spuihaven mieterden en later was het de gemeente die besloot om die slaapplek onder de Sint Jorisbrug met hekken ontoegankelijk te maken. En dus sukkelde Arnout, in de tijd dat daar nog een grote verbouwing gaande was, regelmatig naar het Achterom, waar je in ieder geval droog en uit de tocht lag.

Arnout is inmiddels niet meer onder ons, maar sinds die tijd heb ik in mijn eigen stad zoveel meer Arnouts ontmoet. Zoals Jimmy bijvoorbeeld, die ik jaren achtereen tegen kwam bij de supermarkt aan de Cornelis de Wittstraat.

Als ik die supermarkt zonder kleingeld verlaat en hem dus niks kan geven, reageert hij, in tegenstelling tot een aantal van zijn lotgenoten, nooit gepikeerd maar roept hij iets van: ,,Je mag het ook overmaken hoor…’ of ‘Ik schrijf het wel op.’

Ik moet daar altijd om lachen en hij ook en samen lachen schept tóch een band.

Toen ik hem (ik rookte destijds nog) voor de zoveelste keer van een sigaretje voorzag raakten we in gesprek over de Ronde van Vlaanderen, waaraan hij naar eigen zeggen, zelf ooit heeft deelgenomen. Ik deed dat af als een onzinverhaal… als een eh… ‘praatje voor de vaak’, zeg maar en zei: Ja hoor…tuurlijk Jim, jij was dus wielrenner. Hij staarde me vervolgens bloedserieus nee zelfs wat bozig aan aan.

,,Geloof het of niet’’, zei hij, , maar ik heb in de jaren zestig in alle grote Belgische wielerkoersen meegereden. Je koerste destijds voor een beker of, als je mazzel had, voor een radio of een wasmachine. Dat heb ik jaren achtereen gedaan al kon er niet van leven, dus kluste ik bij in de bouw. Mijn leven was een goed leven.’’

,,De dag dat ik van die steiger flikkerde heeft alles veranderd: ik kon niet meer fietsen, verloor mijn baan, later ook mijn vrouw en zocht mijn heil in het Antwerpse nachtleven met veel drank en drugs. Twintig jaar geleden belandde ik in Dordt… eerlijk gezegd weet ik niet eens meer precies hoe.’’

Na afloop vroeg ik Jimmy om zijn achternaam en thuis achter mijn computertje, ontdekte ik dat hij niet gelogen had. Hij staat er namelijk écht tussen in de uitslag, bij de eerste vijftig in de Ronde van Vlaanderen, edities beginjaren zestig. Een halve eeuw geleden nog een held in zijn vaderland, vandaag… bedelaar bij een supermarkt in Dordt.

Een koers kan raar lopen.

Door de Merwelanden bijvoorbeeld, waar jaren achtereen de zwerver Sjeng sliep. We kwamen elkaar wel eens tegen op de markt en ik zag dan altijd zijn gezicht oplichten omdat hij wist dat ik hem dan trakteerde op kibbeling en broodjes haring. Sjeng, geboren in Sittard en, zo zegt hij zelf, ‘gestrand in Dordt’, wandelt dagelijks uren achtereen met zijn fiets aan de hand door de stad en slaapt ’s nachts in een tentje…  in de Merwelanden dus.

Zijn kleine pop-up-sheltertje draagt hij overdag in een rugzak bij zich, want hij durft dat ding daar overdag niet te laten staan. ,,Als een boswachter ‘m ziet, dan ben ik ‘m kwijt… dat is me al eens overkomen.’’

Net als eerder de onzichtbare Rahim (waar ik mijn verhaal van vandaag mee begon) en nét als later ook de wielrenner Jimmy heeft tentbewoner Sjeng me letterlijk gevraagd zijn levensverhaal in een column te zetten. Dat verhaal gaat eigenlijk over een manisch depressieve ofwel ernstig zieke man die jaren geleden al opgenomen en behandeld had moeten had moeten worden maar die, als gevolg van bezuinigingen in de geestelijke gezondheidszorg, louter nog recht heeft op ‘zorg aan huis.’

Tja… zorg aan huis… mooie woorden natuurlijk. Maar wat als je helemaal geen huis hebt? Tentjes in de Merwelanden vallen in ieder geval niet onder die regeling.


Het is eind januari en dan is bij het Leger des Heils meestal de zogeheten ‘winterregeling’ van kracht, want in de winter laat je natuurlijk niemand buiten slapen. De zogeheten ‘outreachteams’ van ‘het leger’ zullen dus ook de komende nacht weer de stad in gaan om buitenslapers er van te overtuigen dat het nu toch beter is om binnen te komen.

Van een handje vol, min of meer vaste buitenslapers (lees zorgmijders) is bekend dat ze dat, óók de komende nacht, zeker niet gaan doen. Nee, niet uit onwil of stijfkoppigheid, maar simpelweg omdat ze bang zijn om dicht in de buurt van andere mensen te komen. Het Leger des Heils zorgt er dan voor dat ze in ieder geval over dekens beschikken en dat ze ook iets warms te eten krijgen.

Da’s mooi en bewonderenswaardig, maar natuurlijk ook diep triest, zeker als je weet dat het eigenlijk om veel meer dan die drie eerder genoemde notoire zorgmijders gaat. Persoonlijk ken ik twee mensen die vannacht, zoals altijd eigenlijk, ‘gewoon’ weer in oude auto’s op parkeerplekken aan de rand van de stad slapen.

Ook weet ik dat vanavond laat, in de hoekjes van parkeergarages, een paar illegaal in dit land verblijvende Afrikanen, zich nog even verborgen houden voor dienstdoende beveiligers alvorens ze daar hun slaapzakje uitrollen.

Al die mensen hebben een naam en ik ben het – in de twaalf jaren dat ik inmiddels een column voor het AD schrijf – een grote eer gaan vinden dat ik die mensen ook een identiteit heb mogen geven.

En zo eindig ik met mijn eerder uitgesproken ambitie om correspondent in Londen te worden. Dat is er namelijk nooit van gekomen, want op de dag dat deze functie mij werd aangeboden was ik inmiddels vader van twee kinderen en had ik eigenlijk helemaal geen zin meer om met mijn hele hebben en houwen een nieuwe start in een ander land te gaan maken.

Ik heb er trouwens wél nog een jaar gewoond… in 1980 om precies te zijn. In dat jaar was ik namelijk uitgeloot voor de journalistenschool en had ik dus een leeg jaar voor de boeg. Als vuilnisman bij de Dordtse gemeentereiniging had ik genoeg gespaard om het ‘aan de overkant’ een tijdje uit te zingen. Toen mijn geld, na een maand of zes in Londen, dreigde op te gaan, kon ik mijn verblijf verlengen door wat vuilnismannen, die ik in de pub had leren kennen, te assisteren bij hun dagelijkse rondje door de wijk Hackney.

In ‘eighties’ Londen (de Thatcher-jaren) heerste veel armoede en voor het eerst in mijn leven zag ik in Londen heuse zwervers op straat slapen. Die had je – wat paradijsvogels daargelaten – destijds niet in Dordt en dus maakte dat indruk op me. Ik hield me voor dat dit kennelijk een typisch Engels ‘dingetje’ was.

Maar dát is het inmiddels al lang niet meer… zwervers in Dordt… da;s inmiddels een ding van alledag geworden. Waarom ik dit opschrijf? Omdat ik, een week of wat geleden, toen ik vanuit de supermarkt naar huis wandelde, Henk zag liggen… zwaar bezopen en luid snurkend, languit op de stoep aan de Cornelis de Wittstraat.

Ik verblikte of verbloosde niet en dacht alleen maar: hé, daar ligt Henk. Zijn vaste bankje op het Vrieseplein was vandaag kennelijk nét iets te ver weg.
Eenmaal thuis was ik boos… boos op mezelf, omdat ik het zo ‘gewoon’ en ‘typisch binnenstad’ vond.

Dát… blasé worden dus… mag me namelijk niet overkomen, had ik mezelf, toen ik als journalist voor de krant begon, namelijk voorgenomen.

Mijn columns, mits ze niet over politiek of grote plaatselijke gebeurtenissen gaan, moeten draaien om mensen… nee, niet alleen om zwervers, maar over mensen aan wie we vandaag de dag zo makkelijk voorbij lopen… mensen die de tijd maar niet kunnen bijbenen, zowel letterlijk als figuurlijk… mensen ook die in eenzaamheid verdwijnen.


En zo kom ik aan het einde van mijn betoog. De kern van mijn bestaan als columnist is, zo heb ik in de loop der jaren een beetje eh… terug-geanalyseerd, samen te vatten in één een heel simpel zinnetje. Dat zinnetje luidt als volgt:

Hé, hoe is het met je?’

Het is een vraag die u ongetwijfeld elke dag achteloos wel eens aan iemand voorlegt. Maar luistert u wel écht naar het antwoord?

Tja, waarom zou u eigenlijk? Dat antwoord is meestal tóch hetzelfde.

Hoe is het met je? Met mij gaat het best hoor.

Nooit hoort u eens iemand zeggen: ‘Nou… eigenlijk niet zo goed, want ik voel me eenzaam en ik voel me verloren.’

En dát terwijl vijf procent van alle Dordtenaren zich structureel wel degelijk ernstig eenzaam voelt? Dat getal zei me op zich nog niet eens zo veel, totdat ik een rekensommetje maakte: vijf procent van bijna 120.000 inwoners is ongeveer zesduizend mensen, ofwel een volledig uitverkocht stadion van FC Dordrecht plus nog eens twee keer een volle zaal van schouwburg Kunstmin. Zóveel mensen leven er dus op dit eiland die zich sociaal ‘buitengesloten’ en dus diep ongelukkig voelen.

Wie zijn die mensen eigenlijk? Onderzoek wijst uit dat eenzaamheid in deze stad onder alle leeftijdsgroepen en in alle lagen van de bevolking voorkomt: chronisch zieken, gehandicapten, ouderen, alleenstaande ouders, daklozen en (nog) niet ingeburgerde immigranten. Verder blijkt dat veel mantelzorgers, die zich met hun hele ziel en zaligheid storten op de verzorging van een familielid, hun sociale contacten met de dag zien afnemen.

Datzelfde overkomt mensen die langdurig zonder werk zitten. Ook zij verliezen op den duur hun sociale ‘netwerk’ en komen daardoor in een isolement terecht.


En dus, dames en heren, wil ik afsluiten met een column die me na al die jaren nog altijd het meest dierbaar is. Het is een column die begon met het stellen van die simpele vraag…. Hé, hoe is is het met je. Ik stelde die vraag aan Idriss… een Marokkaanse man die ik zo’n beetje wekelijks wel eens tegen kom in de binnenstad.

Rechtop en breed geschouderd torent hij op de Voorstraat meestal boven iedereen uit. Die fiere lichaamshouding staat in schril contrast tot zijn 75 levensjaren en het verdriet dat diep in hem schuilt. Ooit was hij profvoetballer in zijn geboorteland en later ook nog even in de een na hoogste Zuidfranse competitie.

Hij kon er van leven, maar rijk werd hij niet. De liefde voor een Nederlandse vrouw en de zoektocht naar een tweede carrière als voetbaltrainer, brachten hem, destijds alweer veertiger, in Dordt, waar hij geen voetbaltrainer, maar wél lasser werd. ,,Het waren mooie jaren… totdat zij ziek werd.’’

De afgelopen zeven jaar zorgde Idriss liefdevol voor zijn, sinds kort ook nog eens dementerende echtgenote, maar begin maart stortte hij zelf lichamelijk in en zo ‘belandde’ zij in een verzorgingshuis. ,,Nu ben ik alleen en vind ik er niks meer aan. Ik mis haar thuis, zelfs al herkent ze me niet en ik mis mijn broer in Agadir, die ik al zeven jaar niet meer gezien heb.’’

Dagelijks bezoekt Idriss zijn vrouw en doet dan eerst de nodige boodschappen in de binnenstad, waar ik met hem in gesprek raakte vanwege Blafmans. Niet dat hij mijn hond nou direct zo leuk vond… integendeel zelfs, want toen we elkaar kruisten op de Visstraat deed hij, schier onverschillig een stapje opzij om te wachten tot we gepasseerd waren. Mijn opmerking: ,,Maak je geen zorgen, het is een watje,’’ deden hem, na eerst een slokje Marokkaanse trots te hebben weggeslikt, besmuikt in de lach schieten. Nog geen minuut later stond hij Blafmans te aaien en sinds die dag ben ik het onregelmatige klankbord van zijn hartverscheurende verlatenheid.


Dit keer echter komt hij me breed lachend tegemoet en zegt: ,,Ik heb gedaan wat je me na elk gesprek adviseerde.’’ Opgetogen toont hij mij een vliegticket naar Marokko en vertelt me dat hij drie weken bij zijn broer gaat logeren. ,,Daarna komt m’n broer met mij mee terug naar Dordrecht en blijft dan nog een hele maand hier.’’

Toen we afscheid namen voelde ik opluchting. Waarover? Over het feit dat zijn eenzaamheid, die kennelijk ook zwaar op mijn gemoed drukte, voor minstens zeven weken het onderspit delft. Het voelde alsof ik zelf zeven weken op vakantie ging.

Zoals zo vaak dus ligt de basis van die column in die ene simpele vraag: hé… hoe is het met je?

Zullen we samen gewoon maar eens beginnen om aan die simpele vraag weer eens ouderwets betekenis te geven?

Ik stel voor dat we daar een serieus voornemen van gaan maken in dit nog kersverse jaar. Veel belangrijker namelijk dan een dry januari, of kilo’s wegpompen in een sportschool is namelijk oog én oor hebben voor die ander. En nee, daar hoef je geen moeder Theresa voor te zijn en ook zeker geen journalist of columnist…. je hoeft alleen maar mens te zijn… of beter gezegd… medemens… een medemens met liefde voor die ander en met … hoe kan het ook anders… hoop in het hart voor de wereld.

En dát dames en heren brengt mij, aan het slot van mijn betoog, maar niet voordat ik een prachtgedicht van Henri Nouwen heb voorgedragen.


Dat gedicht heet ‘Zolang er hoop is.’

Hopen is toch blijven leven
in de vertwijfeling
en toch blijven zingen
in het duister

Hopen is weten dat er liefde is,
is vertrouwen in het morgen
is in slaap vallen
en wakker worden
als de zon weer opgaat

Is bij de storm op zee
land ontdekken
Is in de ogen van de ander
lezen dat hij je heeft verstaan

Zolang er nog hoop is
zolang is er ook bidden
en zolang zal God je
in zijn handen houden.

Dank Henri Nouwen voor dit gedicht…
Dankjewel Sybe de Lint voor je hulp en ondersteuning
Dank Ton en Ada voor wie jullie zijn
Dank… iedereen van de Werkgroep Henri Nouwen die mij het vertrouwen gaf.

Dankuwel dames en heren voor het luisteren.

DORDRECHT - 

Meer over:
Cookies

Deze website gebruikt noodzakelijke cookies voor een correcte werking en analytische cookies (geanonimiseerd) om de statistieken van de website bij te houden. Marketing cookies zijn nodig voor laden van externe content, zoals YouTube-video's of widgets van Sociale Media. Zie ons cookiebeleid voor meer informatie, of om je instellingen later aan te passen.