Jaarboek Oud-Dordrecht: De YAD VASHEM eretitel voor in totaal voor 21 Dordtenaren

26 april 2021 door Hans Berrevoets

DORDRECHT -  Het boek van historicus drs. KEES WELTEVREDE over vooral de Jodenvervolging 1940-1945 in Dordrecht noemt de namen van 21 Dordtenaren in een eregalerij.

Zij zijn onderscheiden met de YAD VASHEM-eretitel. Deze erkenning staat tegenover de conclusie van Weltevrede  in zijn boek - tevens het jaarboek van de historische vereniging oud-Dordrecht - over de houding van de grote meerderheid van Dordtenaren.

Ze keken weg bij hun Joodse stadsgenoten waarvan er 195 omkwamen. Daarnaast speelden veel Dordtenaren ook een kwalijke rol in de oorlog.

Weltevrede noemt als eerste de beruchte ‘Jodenjagers’ bij de Dordtse politie (A. den Breejen en Harry Everts). Ze werden ook na de oorlog veroordeeld, maar staan ook nog steeds tot de dag van vandaag discussie. Vooral Evers speelde dubbel spel en stond bij het verzet bekend als Herman, aldus het boek uit 1947 van onderwijzer Kors van Loon.

Het jaarboek meldt verder: Tevens waren er de verraders en tipgevers en fanatieke antisemieten die actief hebben geholpen bij de vervolging. Verder waren er de nodige profiteurs van gestolen Joods bezit.

Het overgrote deel van de Dordtse bevolking heeft dit verschrikkelijke onrecht echter machteloos en min of meer passief laten gebeuren, zo is de conclusie in het jaarvboek van Oud-Dordrecht.

De leden van Oud-Dordrecht hebben het boek thuis bezorgd gekregen. In de boekhandel zijn een beperkt aantal boeken te koop met 242 pagina's informatie over de Jodenvervolging.

In het boek onder de titel - we zijn vertrokken - wordt de volgende opsomming geven:

Yad Vashem-eretitel voor 21 Dordtenaren

 

In de afgelopen decennia zijn 21 Dordtenaren, onder wie enkele echtparen, onderscheiden met de Yad Vashem-eretitel Rechtvaardige onder de Volkeren, die de staat Israël geeft aan niet-Joden die tijdens de oorlog Joden hebben helpen onderduiken, ontkomen en overleven.

Aan Nederlanders zijn vanaf 1953 in totaal 5.269 van dergelijke onderscheidingen toegekend. Daarmee is Nederland na Polen het land met de meeste onderscheidingen. Tegelijk is Nederland ook het land met het hoogste percentage vermoorde Joden: minder dan 26 procent overleefde de massale Jodenvernietiging.

Mensen die erkend worden door Yad Vashem, ontvangen een medaille en oorkonde. Verder wordt hun naam in Jeruzalem in een muur gebeiteld in een park gewijd aan de Rechtvaardigen onder de Volkeren, zoals de eretitel luidt.

In Dordrecht zijn tot dusverre 21 personen onderscheiden als Rechtvaardige. Dit aantal kan nog toenemen, want nog altijd worden redders van Joden erkend en geëerd. Op de website van Yad Vashem (yadvashem.org) is gedetailleerd beschreven waaruit hun hulp heeft bestaan. Hieronder volgt een verkorte weergave daarvan.

 

Jan Burger, Cornelia Lijdia Burger-Koomans en Marie Aleida van der Waal-Burger (onderscheiden 22 juni 1976)

Emmanuel en Greta Benedictus woonden samen met hun kinderen Suze en Jules boven de winkel van Jan Burger en diens vrouw Cornelia Koomans, in de Wijnstraat. Toen begin 1942 duidelijk werd dat de Duitsers de Joden gingen opsporen en opjagen, bood Jan zijn huurders aan om op een ruimte boven een achterhuis te gaan wonen. Daar konden zij onopgemerkt blijven.

In oktober 1942 trok de familie Benedictus naar wat het ‘Jodenzoldertje’ is gaan heten. Zij hoefden zich niet op straat te vertonen. Er was water en elektriciteit. Later in de oorlog werden meer onderduikers op de bovenruimte ondergebracht: Bets van den Berg, een jonge advocate, Stijntje den Hartog, een apothekersassistente, en Gerrit van Zeben, een niet-Joodse politieagent. Dochter Marie Burger deed intussen de boodschappen voor de vluchtelingen en hielp waar zij kon. Allen bleven tot de bevrijding in deze relatief veilige ruimte ondergedoken.

 

Marijke Beekhuijzen-Lels (onderscheiden 4 januari 1978)

Marijke Lels (†2009) werkte als koerierster voor het verzet. Zij begeleidde ook vluchtelingen naar veilige adressen en bezorgde voedselbonnen en persoonsbewijzen. Zij leerde door dit werk Yaffa Jager-Klein kennen, een jonge Joodse vrouw die zich al op verschillende adressen had verstopt. Marijke Lels bracht haar over naar de familie Engel in Dordrecht. Zij nam haar verzetstaken, die haar door heel Nederland voerden, uiterst serieus: toen er eens een Duits uniform nodig was, doodde zij daartoe een militair.

 

Willem Arend Engel en Antonia (Tony) Jacoba Bolkestein (onderscheiden 4 januari 1978)

Willem Engel (*1903, †2000) en zijn vrouw Tony Bolkestein (*1903, †1986) woonden met hun twee zonen van 3 en 11 in Dordrecht. Hij was docent, zij kunstenares. Het echtpaar had al eens een Joods meisje in hun huis verborgen gehouden, toen de ondergrondse vroeg of zij opnieuw een Joodse wilden opnemen. Zij stemden toe, het werd Yaffa Lager (later: Klein). Yaffa bleef bij hen tot het eind van de oorlog. In haar brief aan Yad Vashem schreef ze dat zij door de Engels werd behandeld als hun dochter, hoewel zij stond geregistreerd als huishoudster. Ze mocht praktisch nooit de woning verlaten, maar wel af en toe buiten de was ophangen. Als buren dan het vermoeden uitten dat het echtpaar een Joodse in huis had, ontkende de Engels dat hevig.

 

Petronella Kwikkers-Fortuin (onderscheiden 5 maart 1984)

Zij werkte vanaf 1930, toen ze 16 jaar oud was, als bediende voor Jacob en Dora Kann in Dordrecht. Toen in 1941 de Duitsers het aan niet-Joods personeel verbood om nog voor Joden te werken, bleef zij, inmiddels getrouwd, in het geheim voor het gezin werken. In november 1942 dook de familie onder op uiteenlopende adressen die Petronella voor ze had uitgezocht, samen met de huisarts E.E. Meursing. Eens per maand zocht zij – zonder dat haar man het wist – de familieleden dwars door Nederland op, om ze moreel te steunen. Nadat Jacob Kann was afgevoerd naar Auschwitz werd Dora in Huizen ondergebracht. Daar werd ze ongeneeslijk ziek. Petronella is haar blijven bezoeken tot het overlijden van Dora in 1944.

 

Eppo Emmo Meursing (onderscheiden 5 maart 1984)

Huisarts Eppo Meursing (*1894) wist Jacob en Dora Kann ervan te overtuigen dat zij moesten onderduiken. Vier van hun kinderen werden op verschillende adressen ondergebracht, dochter Betty bleef bij haar ouders. Zij hielden zich 2½ jaar verborgen. Dokter Meursing was hun enige contact met de buitenwereld. Hij bezocht de familie, hielp ze bij ziekte en gaf Betty schoolboeken. De andere kinderen kregen bezoek van Petronella Kwikkers.

Toen Dora ernstig ziek werd (tbc), gaf Meursing haar vervalste identiteitspapieren, zodat ze in een Dordts ziekenhuis kon worden verpleegd. Toen dit onveilig werd, regelde hij dat zij in Huizen terecht kon bij verpleegster Struys. Na haar overlijden begroef Meursing haar in het geniep. Gedurende de oorlog verborgen hij en zijn vrouw het Joodse kind Ch. J. de Beer in hun eigen huis.

 

Synco Schram de Jong en Geertje Schram de Jong-Meyst (onderscheiden 19 september 1985)

Irma Appel uit Naumberg, bij Kassel in Duitsland, werkte als huishoudster voor de familie Franks in Nederland. Toen de Franks in 1943 werden gedeporteerd, wist Irma een onderduikadres in Dordrecht te vinden, bij de familie Schram de Jong. Hoewel Irma vervalste papieren bezat, wisten Synco (*1910, †1984) en Geertje (*1911) dat zij Joods was. Irma ging als huishoudster voor het gezin werken en wist er ondanks alle gevaar (het huis lag vlakbij een Duits legerkamp) tot het voorjaar 1945 onontdekt te blijven.

 

Pieter en Aartje van der Gijp (onderscheiden 22 januari 1992)

Pieter van der Gijp (*1891, †1980) en zijn vrouw Aartje van Ballegooijen (*1892, †1980) waren voor de oorlog lid van de SDAP en hielpen toen al vluchtelingen uit Duitsland aan schuiladressen. Op een dag vroeg Siegfried de Jong, die de radio- en fietsenwinkel van Pieter regelmatig bezocht, of hij Joden wilde opnemen in zijn huis. Pieter en Aartje stemden toe en verborgen op 14 augustus 1942 Netty Kooperberg, de verloofde van Siegfrieds broer, en haar vriendin Sari Kloot-van Gelder, in de kelder. Zij verbleven daar overdag. ’s Avonds, als de gordijnen dicht waren, kwamen ze tevoorschijn. Netty en Sari gingen Pieter en Aartje al gauw ‘pa en ma’ noemen. Toen eind 1943 Netty’s ouders werden verraden, haalde Pieter ze weg uit Geertruidenberg en verstopte ook hen in zijn huis. Sari’s moeder kon er niet meer bij, maar Pieter vond een veilig adres voor haar. Iedereen redde het en na de oorlog hielden Pieter en Aartje contact met hun onderduikers.

 

Hendrik (Henk) Adolf van den Berg en Alida (Ali) van den Berg-van Soest (onderscheiden 20 mei, 1992)

Carolien Grünwald en haar 5-jarige dochter Karin zaten ondergedoken bij Evert Nijhuis en zijn vrouw Johanna. Omdat hun zoon, ook Evert geheten, weigerde in Duitsland te werken, ontstond het gevaar dat de Duitsers het huis van zijn ouders gingen doorzoeken. Kees van Soest bracht Karin daarop bij zijn zus Alida in Dordrecht. Alida (*1905, †1970) en haar man Hendrik (*1901, †1982) hadden geen kinderen. Carolien droeg Kees op om het Dordtse echtpaar te vertellen dat haar dochter Joods was, en als zij er niet voor voelden om haar op te nemen, moest hij Karin weer mee terugnemen naar Amsterdam.

Kees vertelde dit niet. Carolien gebood hem om terug te gaan naar Dordrecht en de waarheid te vertellen. Toen hij had deed, zei Alida: “Toen alle Dordtse Joden hun huizen moesten verlaten, huilde ik. Nu ik de kans krijg om een Joods kind te redden, doe ik dat, samen met Henk.” Henk was het met Ali eens, en zo werden zij Karins ‘oom’ en ‘tante’. Karin moest verzwijgen dat zij Joodse was, en hield zich daaraan.

Officieel was zij in Dordrecht terechtgekomen, omdat haar moeder zogenaamd voor een oude vrouw moest zorgen, en Karin zich verveelde. Karin speelde gewoon op straat. Ali en Henk reisden naar Carolien om haar op de hoogte te houden van Karins wel en wee. Na de oorlog bleven zij goede vrienden. In 1948 kregen Henk en Ali zelf een dochter.

 

Gijsbertus Gerardus van Bemmelen (onderscheiden 16 januari 1996)

Van Bemmelen (1898-1944), een agent bij de Dordtse politie en vader van vijf jonge kinderen, sloot zich aan bij het verzet en hielp Joden onder te duiken. Als agent mocht hij zich ’s avonds na de avondklok nog op straat begeven. Samen met zijn oudste, 14-jarige zoon verspreidde hij ook voedselbonnen. Op 25 oktober 1943 werd hij gearresteerd, wegens zijn hulp aan Joden. Op 10 november volgde transport naar het concentratiekamp in Vught; vervolgens, op 25 mei 1944, naar Dachau. Daar, in het Natzweilerkamp, werd Van Bemmelen op 20 juli doodgeknuppeld. Postuum is hem het Verzetsherdenkingskruis toegekend.

 

Cornelis en Meyntje van der Matten (onderscheiden 30 november 1997)

Cornelis van der Matten (*1912, †1988) hoorde bij de verzetsgroep van Trouw in Dordrecht. Hij werd opgepakt door de Duitsers, maar wist te ontsnappen en week uit naar Gouda. Hij delegeerde zijn Dordtse verzetstaken aan zijn schoonzus, Jannegje Kijkuit. Samen met zijn vrouw Meyntje (*1913) hielp Cornelis meerdere Joodse vluchtelingen te verstoppen en voorzag hen van geld en voedselbonnen. Zo bracht hij de 7-jarige Joodse jongen Harry del Canho in maart 1943 onder bij Meyntjes broer Markus en diens vrouw Johanna, in Zwijndrecht. De Van der Mattens hielpen Joden omdat ze geen onrecht konden verdragen.

 

Willem Hofstee, Maria Hofstee-Bruijnzeels, Willem Th. C.M. Bruijnzeels en Gerarda J.M. Bruijnzeels (onderscheiden 21 april 2005)

Ambulance-chauffeur Willem Hofstee (*1888) en Maria Hofstee (*1913, †2000), katholieke dertigers zonder kinderen, vonden op vrijdag 8 januari 1943 om 21.10 uur een baby van 8 maanden oud bij hun voordeur aan de Houttuinen 42 in Dordrecht. Het was Amalia (Milly) Steinberg. Haar vader, Sulem Steinberg uit Den Haag, was gedeporteerd, haar moeder Liebe Baumfeld besloot haar twee kinderen te verstoppen.

Zoon Harry, 5 jaar oud, kwam terecht bij de familie Bruijnzeels, de ouders van Maria Hofstee; de baby bij Maria zelf. De Hofstees rapporteerden de vondst bij de politie, maar hielden vol dat zij niets wisten van de afkomst van de baby. Een kennis van Willem, werkzaam bij de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst, verklaarde dat het kind ‘arisch’ was, en ‘waarschijnlijk verwekt door een Duitse soldaat’.

Milly ging Marjoleintje heten en na haar doop Maria Josepha Hofstee. Bang voor verraad door de buren verhuisden Willem en Maria Hofstee in mei 1944 naar de Koningin Wilhelminastraat 12rood (nu: 24). Pleegkind Milly bleef daar tot aan de bevrijding. Haar moeder, die het Kamp Bergen-Belsen overleefde, werd na de oorlog met haar twee kinderen herenigd. Bij haar huwelijk in 1961 nodigde Milly Steinberg-Horowitz haar redders uit.

Meer over:
Cookies

Deze website gebruikt noodzakelijke cookies voor een correcte werking en analytische cookies (geanonimiseerd) om de statistieken van de website bij te houden. Marketing cookies zijn nodig voor laden van externe content, zoals YouTube-video's of widgets van Sociale Media. Zie ons cookiebeleid voor meer informatie, of om je instellingen later aan te passen.