Pontonnier Jan Fernhout (97) krijgt bij herdenking op de Essenhof het Mobilisatie Oorlogskruis

10 mei 2015

DORDRECHT –   Een pontonnier van bijna 98 jaar stond zaterdag centraal tijdens een herdenkingsplechtigheid op de Essenhof in Dordrecht. Dienstplichtig militair in de meidagen van 1940, Jan Fernhout, kreeg een onderscheiding. Hij ontving uit handen de Genie Commandant, Kol. van Kooten, het Mobilisatie Oorlogskruis.

De Vereniging Oud Pontonniers en Torpedisten (VOPET) houdt de geschiedenis levend dat de troepen in de meidagen van 1940 betrokken waren bij de verdediging van Dordrecht.  Het verhaal van Jan Fernhout op de site van de vereniging (zie hieronder) maakt dat ook duidelijk.

Op ereveld oorlogsgraven op de Algemene Begraafplaats ‘De Essenhof’werd ook duidelijk gemaakt dat daarvoor een hoge prijs moest worden betaald. Daarom werden bij het monument op de Essenhof door wethouder Rik van der Linden namens de gemeente Dordrecht en namens de VOPET en andere kransen gelegd. Ook voorzitters vanuit organisaties zoals het Centraal Oranjedag comité (Henk Bax) en het museum 40-45 ( Theo Berendsen) waren aanwezig bij de plechtigheden.

Stichting Artilleriemonument Dubbeldam
Loco-burgemeester Sleeking was  aanwezig bij de herdenkingsplechtigheid van de Stichting Artilleriemonument Dubbeldam. De plechtigheid herdacht  de krijgsverrichtingen van 75 jaar geleden van de derde afdeling van het 14e Regiment Artillerie te Dubbeldam. De herdenkingsbijeenkomst eindigde met een  kranslegging bij het monument aan het Damplein.

Dit is een verhaal, vertelt door Jan Fernhout, woonachtig te Enter, lichting 1937, dienstplichtig sergeant en opgeroepen tijdens de meidagen 1940 in Dordrecht. Jan Fernhout is geboren in 1917 aan boord, uit Drentse ouders, te Delfshaven. Hij heeft gevaren vanaf zijn 12e tot zijn 56e, is getrouwd en hij en zijn vrouw werden de trotse ouders van 10 kinderen.

“Op 9 mei 1940 ging ik ‘s avonds naar de school aan de Betje Wolfstraat, na van mijn verloofde afscheid te hebben genomen, met de woorden "Morgenavond kom ik niet, want dan heb ik dienst als wachtcommandant." Het was al wat onrustig in de lucht, maar dat kwam de laatste tijd wel meer voor.

De volgende morgen, werden we al omstreeks 4 uur wakker gemaakt door de wachtcommandant van die nacht, een Limburgse sergeant. Hij was nog maar enkele dagen eerder opgeroepen van wekverlof en hij was ons totaal onbekend. Met een zwaar Limburgs accent riep hij, "moet je eens kijken, wat leuk, allemaal vliegtuigen; die gaan naar de Pruus". Maar een van onze oudere onderofficieren, een schipper die ook veel op de Rijn voer zei meteen, “nee hoor,dat zijn Duitsers met dat oorlogskruis op de machine”. Even daarna had de schildwacht al een blauwe boon in z'n achterste en kwam onze luit; "Jongens, het is oorlog, ze schieten vanaf de Krispijnse weg en we gaan er naar toe."

We kregen enkele patronen, ik had er zeventien als ik me goed herinner, en anderen nog minder. Toen zei ik “Luit, daar kunnen we toch niets mee”, waarop er nog gauw iets georganiseerd werd en ik er 87 had. Toen trokken we Oud Krispijn in, maar langs de sloot aan de Krispijnse weg lag het al vol met Duitsers met machinegeweren. Er lopen verschillende straten haaks van de Krispijnse weg richting Brouwersdijk. Ik probeerde door een van die straten die knapen onder schot te krijgen, maar als ik vanaf de linker straathoek wilde schieten, zat er net te veel bocht in de straat, zodat ik ze niet onder schot kon krijgen, dus naar de rechter straathoek, maar dan moest ik me geheel bloot geven om rechts te kunnen schieten en vlogen de splinters van de straatkeien je om de oren, dus dat was ook geen optie.

Toen kreeg ik de opdracht om de luit te hulp te komen, die lag in het huis van de toenmalige tandarts Smits aan de Krispijnse weg. Door de straat kon ook hier niet, dus: voordeur in, achterdeur uit, schutting over, volgende dwarsstraat idem, tot we aan de achterzijde van het huis van de tandarts kwamen met 3 á 4 man. Op het eerste gezicht was er niemand thuis, maar toen we naar boven gingen, bleek de hele familie aan de achterzijde in een klein kamertje te zitten; wij dus naar de voorzijde. Ik had het plan om kruipend naar voren te gaan en dan gelijk proberen de vijand in de sloot onder schot te krijgen. Maar ik kreeg de schrik van mijn leven, want de korporaal die ik bij me had, zag in de sloot een Duitse soldaat en zonder verder na te denken schoot hij, vlak achter mijn oor, door de ruit en riep: "Ik heb hem!"

We kregen daarna geen enkele kans meer. Onze positie was verraden, we konden verder niets meer doen en het regende glas en splinters naar binnen.

Het werd al snel rustiger en na enige tijd konden we naar buiten. Bij de ingang van de Julianakerk zat een dode Duitser met de rug tegen het pilaartje van het hek, wel zijn we toen zelf de kerk ingegaan, waar men mij gelijk vroeg om een Duitse mitrailleur te repareren, die op de avondmaalstafel werd geplaatst, maar dat laatste niet voordat koster Pors nog snel even een oude Nederlandse vlag over de tafel had gespreid, om het groene kleed te beschermen. Terwijl ik met die mitrailleur bezig was en net voor de loop langs was gelopen raakte een knaap de trekker aan en ging het wapen met een enorme knal af. De kogel raakte de muur boven de ouderlingenbank en de oude ds. Meynen wist niet hoe snel hij weg moest komen. Overigens werden er die dag nogal wat Duitsers gevangen genomen en ook veel gedood. Toen er een slachtoffer werd binnengebracht, brulde een gevangen Duitse officier: “Heil, Hitler”, en sprongen de anderen in de houding.

Omdat er halverwege bij de bocht in de Julianastraat steeds werd geschoten, probeerden wij in de toren te klimmen om vast te stellen waar dat vandaan kwam. Ook werden nogal wat glas-in-loodraampjes gemold om beter te kunnen kijken, maar ook dat hielp niet. Dan maar in arren moede er naar toe en toen bleken het parachutisten te zijn, die te ver van hun zware wapens terecht gekomen waren en alleen een revolver bij zich hadden waarmee zij de aandacht trachtten te trekken om zich te kunnen overgeven voor krijgsgevangenschap. Later hoorden wij dat ‘zich overgeven’ hun opdracht was. De Duitsers waren ervan overtuigd dat ze de oorlog zouden winnen. Deze krijgsgevangenen, die een dure opleiding hadden genoten zouden dan toch weer vrij komen en dan elders ingezet kunnen worden.

Een sergeant (mobilisatievrijwilliger) nam de wacht van mij over, maar deze man - in mijn ogen een oudere man van wel 40 jaar - hield het niet vol, waardoor ik uiteindelijk de wacht weer heb moeten overnemen. Het was me het wachtje wel. ’s Avonds begon het al. Tegenover de school werd steeds licht gemaakt. Steeds wanneer ik sommeerde dat het licht uit moest, werd het even later weer ontstoken, tot één van mijn schildwachten korte metten maakte door maar eens door het raam te schieten. Daarna bleef het donker.

Het was een zenuwentoestand. Dat blijkt wel uit het volgende. Ineens werd er verwoed geschoten, richting Krispijnse weg. Daar passeerden soldaten. Wij wisten alleen dat daar de hele dag Duitsers waren gesignaleerd. Van passerende Hollandse militairen wisten wij niets. Dus het vuur werd geopend. Gelukkig kreeg ik snel in de gaten hoe de vork in de steel zat. Helaas was het niet de enige keer dat zoiets gebeurde.

Toen ik om 7 uur werd afgelost dacht ik een poosje te kunnen gaan slapen. Vanaf de vorige morgen 4 uur tot de volgende ochtend 8 uur was zelfs voor een schipper een zware dag. Maar aan rust kwam ik nog niet toe. De kapitein beval dat ik met enkele manschappen Krispijn moest uitkammen, want er werd steeds op onze mensen geschoten. Wij zijn overal in de wijk geweest waar we dachten, of gehoord hadden dat er N.S.B-ers woonden. Als je dan ergens binnenkomt waar de bijbel op tafel ligt en een portret van Mussert aan de muur, dan moet je toch wel even slikken. Dat er op Hollandse jongens was geschoten werd glashard ontkend.

Bij de huiszoeking ontdekte ik nog een lijst met daarop o.a. de namen van mijn a.s. schoonouders. Op mijn vraag wat dat te betekenen had, gaf men ten antwoord: “Ja, die mensen zijn ook christelijk en daarom brengen wij daar wel eens een blaadje”. Echt een voorbeeld van z.g. ongevraagd drukwerk, bleek mij later. Dezelfde dag nog moesten wij van Krispijn vertrekken. We kwamen terecht in de Ardathfabriek, de latere garage van Willem van Twist. Daar heb ik me voor het eerst elektrisch geschoren. Dat was geen succes, met een baard van enkele dagen en een apparaat dat nog niet veel voorstelde. Wel beken ik daar 2 dozen Chief Whip sigaretten, van elk 50 stuks te hebben gestolen. Voor elke borstzak één doos. Paste precies, en we konden er even mee vooruit. Na verloop van tijd werden we naar de ingang van de tunnel aan de stadszijde gestuurd. Toen de nacht inviel heb ik er, geheel gekleed en met de wapen binnen handbereik enige uren bij een Joodse familie kunnen slapen.”

De daarop volgende dag, zondag, eerste Pinksterdag kwamen geregeld mensen van Krispijn met witte vlaggen en het verhaal dat het vol met Duitsers zat. De nacht daarop heb ik een paar uur geslapen bij de fietsenzaak van Kok. Toen ik later weer buiten kwam zag ik dat er niemand meer was. In een contact met het bureau van de commandant werd me bevolen op mijn plek te blijven. Het was die zondag erg rustig maar het ronkte van de geruchten over Duitsers op Krispijn en van alles en nog wat.

Ik heb ook nog niet gemeld, dat er ‘s nachts aanhoudend werd geschoten, op het toenmalige sportfondsenbad. Hoewel nog in bezit van onze jongens, lag het toch vlak bij de bruggen, die wel in handen van de Duitsers waren.

In de loop van de maandag had ik toch weer een ploegje bij elkaar, waarvan ik de hoogste in rang was, maar dat was niet te zien, want we moesten al heel spoedig onze onderscheidingstekens verwijderen omdat werd aangenomen dat de vijand het in eerste instantie op meerderen had gemunt. Ook weet ik niet of het die dag is geweest, of de vorige, maar op een gegeven ogenblik, kwam er een beroeps sergeant-majoor motordrijver langs. Hij gaf het bevel dat de bij mij aanwezige, voormalige marinemensen, die een marinebroek en een groene bereden jas droegen, direct naar de rustkamer moesten om pontonnieruniformen te halen, daar het onverantwoordelijk zou zijn om zo gekleed te gaan. Het gerucht ging namelijk al vanaf de eerste dag, dat er verklede Duitsers rondliepen. Er zou door Hollandse troepen op deze mannen geschoten kunnen worden. Ik heb de marinemannen niet meer teruggezien. Maar op een gegeven moment, komt er een zekere korporaal Boelhouwer naar met toe, die beweerde in het poortje bij groenteboer De Waard, een helm op manshoogte te hebben gezien, waarop ik met het geweer in de aanslag polshoogte ging nemen.

Opeens werd er geroepen dat alles veilig was. Ik kwam overeind, stelde mijn geweer op veilig en op dat moment zag ik een rijtje Duitsers, achter elkaar, bij De Waard uit de gang komen, het geweer in de aanslag; ik stond geheel in rust ongeveer 25 meter bij hun vandaan, niet erg heldhaftig, maar het overviel me totaal. Ik draaide me snel om en vluchtte door een poortje dat op een soort hofje achter de Spuistraat uitkwam. Toen ik daar tot me zelf kwam, bedacht ik, dat ik hiervoor niet ingehuurd was, maar teruggaan zou zelfmoord zijn, dus ging ik aan de achterzijde een huis aan de Spuistraat binnen, waar men niet blij met me was. Ik ging naar boven, want inmiddels was de hel in de Spuistraat, losgebroken. Er vond een kort vuurgevecht plaats, waarbij een Duitse soldaat sneuvelde en daarna was alles weer rustig.

Achteraf hoorde ik dat afspraak was dat de beroepssergeant 1e klas die met een stuk pantserafweergeschut in het café bij de brug zat, zodra hij hoorde schieten, van daaruit de Spuistraat zou bestrijken, wat dan ook gelukte, maar wij moesten dan wel meteen weg wezen. Toen ik weer beneden kwam, vroeg ik hem, wat er nu eigenlijk gebeurd was. Het bleek dat hij met De Waard had afgesproken, dat die de Duitser zou misleiden, door te roepen “alles veilig”; alleen jammer dat ik dat niet wist. We waren nog wat van de schrik aan het bijkomen, toen er een vrij grote groep motoren met zijspan aankwam, onder bevel van ene luitenant Davidson aan wie ik als mindere in rang mijn diensten aanbood. Hij vroeg mij, de aanwezige versperringen op te ruimen, opdat hij er door zou kunnen, want zijn mensen waren al enkele dagen achtereen in touw en totaal op. We waren net begonnen, toe er ineens een voltreffer op de bakkerij op de hoek Spuistraat en Singel werd geplaatst, waarbij een groot stuk van de pui naar beneden kwam.

Op dat moment donderde die luit “motoren draaien” en ging de zaak volle kracht, richting Spuibrug, terwijl ik een stel tanks, uit de richting van het station zag komen. Er zat niet anders op dan ook richting Spuibrug te lopen, maar toen ik daar was, ging de brug draaien, want dat hadden onze mannen aardig voor elkaar. Ze hadden de grendels verwijderd en een paar draden naar dat café gespannen. Daar konden die Duitsers dus niet meer over. Ik loop nog wat bij te komen van de schrik, komt er een rekruut naar me toe met een projectiel in zijn hand Hij zegt: “dat ding rolde tegen mijn schoen, weet u wat dat is? “ Zeker wist ik het niet, het leek veel op een projectiel afkomstig van een Nederlandse 4,7, maar ik mocht het niet meenemen, hij wilde het zelf houden om aan anderen te kunnen laten zien. Nog even verderop in de grote Kerksbuurt, kom ik de luit Van der Molen tegen met een man of veertig, die zegt: “wat nu Fernhout?”. Daar kon ik ook niet direct een antwoord op geven. Hij had als oplossing naar de Benthienkazerne te gaan en het daar maar afwachten, maar dat leek mij nu juist niet zo’n goed idee, want de kazerne lag onder vuurbereik, en ik zag het oude zooitje al branden. Hij vond dat ik wel gelijk had, maar wat dan?

Mij leek het ’t beste om naar Papendrecht te gaan, maar de pont voer niet meer. Ik zei tegen de luitenant: ‘als u naar de ingang van de Wolwevershaven gaat, kom ik daar met mijn boot’. Mijn boot lag aan de Aardappelmarkt. Op Hemelvaartsdag was ik daarmee nog met mijn toekomstige vrouw en zwager wezen varen.

Aan de Merwedekade lag nog een coaster, ook met een onderofficier en manschappen aan boord. Wij dus richting Papendrecht. Daar lag een sleepbootje en enkele evacuatieschepen, volgestouwd met zieken en bejaarden. Behalve een mij onbekende jongeman, een soldaat-schipper met een rood anker op zijn mouw, en mijn persoon, ging iedereen aan wal. De sleepboot, de Isala Krikke, had een gezin aan boord dat ons geweldig goed opving. We konden ons wassen en werden keurig van proviand voorzien. Waarna ik dus eindelijk eens behoorlijk kon slapen.

De volgende morgen waaide van het stadhuis de witte vlag, en de Duitse ernaast.

Omdat luitenant Van der Molen wist dat ik aan boord was gebleven met de onbekende jongeman kregen we al vroeg bericht dat wij ons bij ons onderdeel moesten vervoegen. Er moesten namelijk bruggen worden geslagen over onder andere De Graafstroom, om het terugtrekken van onze troepen mogelijk te maken. We kwamen ergens op de dijk van Papendrecht, bij een grote schuur propvol met pontonniers. Toen we er goed en wel waren kwamen er Duitse vliegtuigen over, nogal laag. Er ging een gebrul op; “doe die deur dicht ! Als ze zien dat hier soldaten zitten nemen ze ons onder vuur”. Er gebeurde verder niets, maar er was een zenuwachtige stemming.

Na enige tijd zocht ik de luit op en stelde hem voor dat mijn maat en ik weer aan boord zouden gaan. Ik dacht daar goed werk te kunnen doen als die schepen onder vuur zouden komen te liggen. Hij vroeg me of ik me daar veiliger voelde. Ik zei; “dat niet, maar het is wel zo rustig”, waarna wij toestemming kregen te vertrekken. Toen we enige tijd aan boord waren kregen we van een sergeant de opdracht de sleepboot, waarop we de vorige avond zo gastvrij werden ontvangen te vorderen en een vaartuig met laad- en losinrichting te zoeken en daarmee naar de haven te komen om onder andere mijnen te laden en die achter de waterlinie te brengen, te weten, in Gorkum. Ik stelde voor mijn eigen boot hiervoor in te zetten. Dat werd goedgevonden en van adjudant Jegen kreeg ik toestemming om een bak met hijstuig te vorderen. Ik werd aan boord van dat schip niet enthousiast ontvangen, maar had als militair uiteindelijk toch zoveel overwicht dat de ankers werden gelicht.

Trottoirtegels die ik als bescherming op de stuurhut had gelegd stapelde ik nu aan bakboordzijde tegen de stuurhut op om me tegen Duits vuur te beschermen. Op mijn knieën, want ik had een platliggend stuurrad, voer ik met een flink gangetje het smalle haventje in, terwijl de havenkom vol stond met door mijn mensen gebouwde bruggenhoofden voor het afleggen van examens. Ik ramde bijna de kraan achter in de haven. “Had hem maar weggevaren”, zei een sergeant. Een gemiste kans dus. Ik kreeg het advies om terug te varen naar het dorp omdat het op de plek waar ik nu was te gevaarlijk werd.

Kort daarna werd mij gemeld dat er twee andere schepen waren gevorderd om de bak te slepen, de Elza, een stoomsleepboot van ca. 28 IPK en de Maria Cornelia van ruim 80 IPK, en ik kreeg opdracht om met een blauwe vlag in de voormast en een Nederlandse aan de vlaggenstok voor het konvooi uit te varen, met de boodschap aan de Nederlandse Postmeester langs de rivier dat wij Hollanders zijn en dat er dus niet op ons mocht worden geschoten. Ik kon het konvooi maar nauwelijks voor blijven. Bij de passage van de Baanhoekbrug klapte mijn lichtmastje achterover. Het bleek dat de paal voor de telegraafkabels op de middenpijler was vernield. De kabels hingen daardoor laag over de rivier.

Ik waarschuwde het konvooi te stoppen, en met een draadtang van een van de schepen werden de draden doorgeknipt. Dat was te veel voor de militairen die op de brug een mitrailleurspost bemanden. Ze begonnen te schieten. De kabelknippers moesten wel saboteurs zijn. Dat de kabels al lang ter ziele waren was blijkbaar niet tot ze doorgedrongen. Ik zat, samen met een andere boot achter de pijler, maar de Elza kreeg de volle laag net boven de waterlijn. Het waren me de kogels wel. Ze waren onder andere door 20 mm ijzer van het contragewicht gegaan. Ook het paneel van de stuurhut, waarin minstens 5 personen waren, waaronder de vrouw van de machinist, was doorzeefd.

Alleen een korporaal had een schampschot. Ik moest er naartoe. Met bevend hart. Ik verliet mijn dekking en voer recht op hen aan en brulde dat het Hollanders waren, en dat ze mijnen aan boord hadden. Op dat moment kwam de sergeant waar ik hiervoor over sprak aanrijden om de schutters te waarschuwen. Hij had mij dat eerder ook beloofd te zullen doen, maar was verrast door de snelheid waarmee het konvooi had gevaren. Buiten de korporaal waren er geen gewonden. Behalve de schade aan de Elza waren van de 13 prachtige teakhouten Amsterdamse vletten aan boord van de bak er zo’n stuk of 6 lek geschoten.

Het konvooi kon verder, maar ter hoogte van Sliedrecht werd weer op ons gericht. Ik riep de schutters aan, maar gelukkig kwam op dat moment ook de sergeant op het toneel en liep het hier goed af. Het was prachtig weer, maar we hadden geen drinkwater aan boord. Ter hoogte van Hardinxveld lagen een paar Kempenaars voor anker waar we limonade kregen en waar we hoorden dat Rotterdam was gebombardeerd. Desondanks maar weer verder.

In Gorkum hoorden we dat het Nederlandse leger had gecapituleerd.

De ponten Gorkum tussen Sleeuwijk waren met hoogwater met geweld op het zand gezet, net boven de nieuwe haven, en de vuren waren gedoofd. Besloten werd ze die nacht meteen weer vlot te trekken. Ik heb daarbij met mijn schip geassisteerd, maar toen ik terug kwam aan boord na de eerste pont te hebben afgemeerd merkte ik dat mijn stuurman, de soldaat-schipper die al twee dagen bij mij was, een sleepdraad niet helemaal had ingehaald. Bij het rondgaan was de draad in de schroef terecht gekomen. Balen natuurlijk. Ik zag geen kans de kabel te verwijderen en heb het schip boven de haven aan de grond gezet. Mijn stuurman pleiten en ik dus alleen aan boord. In afwachting van het droogvallen heb ik maar een slaapje gedaan.

Toen ik wakker werd schrok ik van gekrijs naast de boot. Ik dacht; “dat zullen de Duitsers zijn”. Ik had nog een wapen aan boord met scherpe piepers. Gelukkig bleken het spelende kinderen te zijn. Toch leek het mij veiliger om bij de commandant van de Torpedisten mijn wapen met munitie in te leveren. Ik waadde naar de wal en meldde me, maar kreeg te horen dat Pontonniers hun uitrusting in Dordt moesten inleveren. Mijn reactie was; “kapitein, ik lever ze bij u in, of in de Merwede”, waarop hij blijkbaar toch het stomme van de zaak in zag en mijn wapen innam. Daarna vroeg ik hem, zodra mijn boot vlot zou zijn, mij toestemming te geven naar Dordt af te varen. Maar dat vond hij te gevaarlijk, met het oog op de drijvende mijnen op de route. Mijn reactie was; “die mijnen waren er gisteren ook en toen heb ik ook niet geweigerd”, waarna alsnog toestemming werd verleend. Ik weer aan boord, de draad uit de schroef gehaald en gewacht tot een uur of twee in de nacht. Toen kwam ik weer vlot.

Ik ben toen naar de Oude Haven gevaren en heb langszij de ponten afgemeerd. Nooit in mijn leven heb ik mij zo eenzaam gevoeld, als tijdens die korte vaart. ’s Morgens was ik al weer vroeg wakker. Ik startte de Kromhout en ging, omdat ik niets anders bij me had, in volledig uniform op stap. Ter hoogte van Sliedrecht bij de loods van scheepswerf “De Klop” waren veel soldaten geïnterneerd. Ze zwaaiden uitbundig naar me. In de Wolwevershaven kwam een Dordtse boot langszij. Mij werd geadviseerd niet in uniform aan de wal te gaan “Voor je twee straten ver bent wordt je geïnterneerd”,. Gelukkig vond ik nog een oude overall, een paar Deense klompen en een schipperspet.

Op een geleende fiets van Jan de Roo, een bekende fietsenmaker, vertrok ik naar de Lareijstraat 29. Het adres van mijn toekomstige schoonouders. Bij de kruising van het Steegoverschot met de Singel waren door onze troepen versperringen aangebracht. Nu stonden daar Duitsers, maar ze lieten me ongestoord passeren. Het weerzien was meer dan hartelijk, ook omdat mijn toekomstige zwager tegen mijn verloofde had gezegd dat ik gesneuveld zou zijn.

Ik hoorde dat wanneer je geen uniform meer zou hebben je niet geïnterneerd werd, maar je alleen dagelijks bij de Duitsers moest melden. Voor mij was dat aanleiding, met behulp van de trottoirtegels die ik aan boord had mijn uniform in de Rietdijkshaven te verzuipen. Vervolgens meldde ik mij in de Benthienkazerne, waar ik te horen kreeg dat ik me moest vervoegen bij mijn onderdeel op Papendrecht, waar we uiteindelijk te horen kregen dat de helft van de manschappen en onderofficieren mocht afzwaaien. Ik was ook één van die gelukkigen en kreeg daarnaast direct werk voor mijn eigen schip aangeboden.

Dat varen was wel mooi, maar eens deed ik nog iets wat ik achteraf gezien had moeten laten. Tussen de middag lag ik aan de trap bij het Papendrechtsveer en komt er een man naar me toe met de vraag of hij bij mij aan boord mocht staan om te schilderen. Ik vond dat goed. Nu liepen er steeds geruchten dat de Engelsen Aviolanda zouden gaan bombarderen. Toen die knaap begon te tekenen maakte ik mij zorgen dat het hem om Aviolanda te doen was. Had ik die man nu maar gezegd dat wat hij deed gevaarlijk was, maar ik waarschuwde een politieagent. Die nam hem mee. Ik heb er nooit meer iets van gehoord, maar later heb ik het er toch nog wel eens moeilijk mee gehad. Ja, we moesten nog veel leren, ook dit blijkbaar."

Degenen die meer willen weten over de meidagen van 1940 en foto’s uit die tijd zouden willen zien, kunnen terecht op www.dordtopenstad.nl.

Meer over:
Cookies

Deze website gebruikt noodzakelijke cookies voor een correcte werking en analytische cookies (geanonimiseerd) om de statistieken van de website bij te houden. Marketing cookies zijn nodig voor laden van externe content, zoals YouTube-video's of widgets van Sociale Media. Zie ons cookiebeleid voor meer informatie, of om je instellingen later aan te passen.