Dichter Jacques Perk (1859-1881) heeft in zijn Dordrecht nog geen straatnaam

01 december 2017
Dichter Jacques Perk (1859-1881) heeft in zijn Dordrecht nog geen straatnaam

DORDRECHT / DRECHTSTREEK -  Dichter Jacques Perk werd in 1859 in de Breestraat in Dordrecht geboren. Aan de gevel van een gebouw op die plek, is een plaquette te vinden.

Alhoewel de dichter niet oud werd (overleden in 1881) werd hij toch beroemd. In Zwijndrecht en Papendrecht zijn straten naar de Dordtse zoon van een Waalse predikant genoemd.

De geboortestad heeft hem nog niet een plek in het collectief geheugen gegeven in dew openbare ruimte met een straat. 

De stad heeft de laatste jaren wel inmiddels mensen vernoemd, zoals schrijfster Top Naeff, dichter en journalist Jan Eijkelboom, kamerlid A.J. Verbrugh, en advocaat en politicus Jaap Burger. Ook de vier zonen van Dordrecht, die allemaal in 1918 werden geboren, zijn niet vergeten. Otto Dicke, C.Buddingh', Aart Alblas en Kors Monster worden volgend jaar herdacht.

Perk is nog niet terug te vinden in het straatnamenregister

Top kreeg uiteindelijk rondom villa Augustus een plek. Haar naam was niet meegenomen in de wijken naar dichters of schrijvers een vernoeming kregen. Jacques Perk is door een straatnaam wel in andere steden bekend. In Dordrecht was er in 2009 aandacht voor hem toen werd stilgestaan bij zijn 150ste geboortedag.

(gegevens gemeente archief Dordrecht)

Portret van Jacques Perk door Fr. Bruckman te München zoals opgenomen in de eerste druk van zijn Gedichten uit 1882 (Regionaal Archief Dordrecht 489-12119).

Geboren Dordrecht 10 juni 1859, overleden Amsterdam 1 november 1881. Oudste van vier kinderen (allen geboren te Dordrecht) van ds. Marie Adrien Perk (1834 – 1916), predikant van de Waalse Kerk en letterkundige en jonkvrouw Justine Georgette Caroline Clifford Kocq van Breugel (1835 – 1900).

De dichter Jacques Perk wordt beschouwd als de voorloper van de negentiende-eeuwse Beweging van Tachtig waartoe ook Willem Kloos (1859-1938), Albert Verweij (1865-1937), Lodewijk van Deyssel (1864-1952), Herman Gorter (1864-1927) en Frederik van Eeden (1860-1932) behoorden. Zijn invloed op deze beweging is onmiskenbaar groot hoewel Perk reeds stierf voor die beweging tot ontwikkeling kwam. Perk overleed zonder ook maar één verzenbundel te hebben gepubliceerd.

Perks vader leek in weinig op de spreekwoordelijke kleinburgerlijke negentiende-eeuwse dominee. Hij was vrijzinnig en had letterkundige belangstelling. Jacques kwam hierdoor vroeg in aanraking met de literatuur. Dominee Perk en zijn vrouw vestigden zich eerst op de Voorstraat nabij de Kleine Appelsteiger schuin tegenover de Munt en vervolgens verhuisden ze naar een woning in de Lange Breestraat. Hier werden Jacques (1859) en zijn zusje Dora (1860) geboren. In 1862 verhuisde het gezin naar een woning aan de Wijnstraat 168 nabij de Wijnbrug waar Jet (1863) en Amalia (1868) werden geboren. Toen hij vier jaar was ging hij naar de bewaarschool van juffrouw Itz. Op vrije middagen verbleef hij bij voorkeur bij de familie Van Deventer aan het Steegoversloot waar meer was toegestaan dan thuis. De overgang naar de lagere school van meester Rottier verliep niet rimpelloos. Hij had moeite zich te voegen in het straffe klassenverband. Zijn vroege jeugd bracht Jacques dus door in Dordrecht.

Dominee Perk werd in 1868 naar Breda beroepen en aanvaardde dit beroep. In 1872 vestigde de familie zich in Amsterdam waar Jacques de HBS bezocht met de bedoeling later officier te worden. Hij onderging de invloed van zijn leraar Nederlands dr. Willem Doornbos (1820- 1906) die Jacques’ literaire belangstelling stimuleerde. Teleurgesteld in de HBS- opleiding verliet hij die in 1877 met instemming van zijn vader. Die gaf hem daarop privéles in Latijn en Grieks met het oog op een mogelijke universitaire studie. In de winter van 1878 kreeg Perk een gevaarlijke bloedspuwing. Enigszins opgeknapt vond hij korte tijd werk bij het Algemeen Handelsblad waar hij Franse correspondentie vertaalde. Hierna hervatte hij zijn studie voor het staatsexamen, nu met het idee rechten te gaan studeren. In 1880 slaagde hij en schreef zich in aan de Gemeente-Universiteit van Amsterdam als student rechten.

Hij schreef vele, meestal korte gedichten, vaak opgedragen aan zijn ongelukkige jeugdliefde Marie Champury, de dochter van zijn leraar Frans. Hun relatie heeft geduurd van eind 1876 tot maart 1878. De ouders van Marie hadden voor hun dochter een heel andere huwelijkskandidaat voor ogen dan een geëxalteerde jongeman die zijn middelbare school niet had afgemaakt. Perk schreef daarop een (ongepubliceerd) toneelstuk in vijf bedrijven getiteld Herman en Martha. In dit stuk wordt de liefde tussen de hoofdpersonen gefnuikt door de ouders.

Nadat duidelijk was geworden dat een verbintenis met Marie er niet inzat trachtte hij – een typisch romantisch gebaar – aan te monsteren op de Willem Barentsz om deel te nemen aan een expeditie naar de Noordpool. Er was echter geen behoefte aan een extra bemanningslid. In de zomer van 1879 leerde hij in Laroche in de Belgische Ardennen de negentienjarige Mathilde Thomas kennen. De twee hebben niet meer dan enkele dagen in elkaars gezelschap verkeerd maar Mathilde inspireerde Perk zodanig dat hij de ervaringen en gevoelens die hij tot dan toe had beleefd, poëtisch vorm kon geven. De dichterlijke vrucht van deze ontmoeting werd de bekende Mathilde-cyclus. De cyclus bestaat uit een groot aantal streng vormgegeven sonnetten die in vier afdelingen zijn geordend.

Belangrijk was Perks korte vriendschap met Willem Kloos die begon op 15 mei 1880 toen zij elkaar ontmoetten. Kloos had een dramafragment getiteld Rhodopis gepubliceerd in het tijdschrift Nederland, wat voor Perk aanleiding was zijn oude schoolgenoot in de Kalverstraat aan te spreken. Dezelfde avond bezocht Kloos Perk op diens studentenkamer. Tussen hen ontstond een intieme, homo-erotisch getinte vriendschap. Zo wierp Perk een blonde lok in Kloos’ brievenbus. Kloos bewaarde deze lok tot aan zijn dood en zij schreven elkaar liefdesgedichten. Kloos was geïmponeerd door Perks bezielde en gevoelvolle taalgebruik. Jacques verbrak de vriendschap echter in april 1881 vooral vanwege de veeleisendheid en opdringerige aanwezigheid van Kloos. Hoe scherp de breuk was werd een half jaar later duidelijk door de houding van Perk op zijn sterfbed: hij wilde Kloos niet zien en weigerde fruit dat door hem was bezorgd.

Jacques vatte na de breuk met Kloos liefde op voor zijn derde vrouwelijke object van verering: Joanna Blancke. Behalve uit zijn verliefdheden putte Perk inspiratie uit het werk van de Engelse romantische dichters Keats (1795-1821), Wordsworth (1770-1850) en Shelley (1792-1822). Zo is bijvoorbeeld het bekende gedicht Iris geïnspireerd op Shelley’s Cloud, zowel naar inhoud als naar vorm. Perk had het plan zijn Mathilde-cyclus om te werken tot een Joanna-cyclus. Daarvan is het niet meer gekomen. Perk is kort als poëziecriticus verbonden geweest aan het tijdschrift Spectator. Hij heeft slechts één kritiek geschreven waarna hij het bijltje er bij neergooide omdat hij er tegenop zag mededichters met kritiek te pijnigen. Eind oktober 1881 werd hij ernstig ziek en reeds binnen enkele dagen bezweek hij aan een longziekte.

Al op 19 november 1881 publiceerde Willem Kloos in de Spectator een gevoelvol In Memoriam Jacques Perk. Daarin stelde hij het werk van Perk ver boven de gangbare poëzie van met name Ten Kate, De Génestet en Beets. Het stuk deed veel stof opwaaien en leidde tot heftige polemieken. Kloos wist met moeite de hand te leggen op de poëtische nalatenschap van Perk. Toen hij in deze opzet was geslaagd nam hij de vrijheid de teksten deels naar zijn hand te zetten. Een jaar na Perks’ overlijden verscheen Gedichten (1882), uitgegeven en bezorgd door Kloos met een voorwoord van Carel Vosmaer (1826-1888) en een inleiding van Kloos zelf. Deze inleiding wordt algemeen gezien als het manifest van de Beweging van Tachtig. Tegenover de gangbare poëzie van die tijd zette Kloos ideeën als: individuele emotionele expressie, éénheid van vorm en inhoud en l’art pour l’art; dat wil zeggen: kunst wordt alleen beoefend om zich zelfs wil en dient geen ander doel dan de schoonheid. Het klassieke sonnet als versvorm kwam door het werk van Perk sinds lange tijd weer onder de aandacht.

Bronnen en literatuur
NNBW 7, kolom 950-954.
G.H. ’s-Gravesande, De geschiedenis van de Nieuwe Gids (Arnhem 1945 met supplement 1961).
G. Stuiveling, Het korte leven van Jacques Perk (Amsterdam 1974).
B. Slijper, Onder de blauwe oneindigheid. De vriendschap tussen Willem Kloos en Jacques Perk (Amsterdam 2010).

Schilderij
Portret door J. Neumann uit 1882 naar foto van A. Grenier uit 1880 (Rijksmuseum Amsterdam).

Gedenktekens
Grafmonument Jacques Perk met in reliëf het hoofd van de dichter op de Nieuwe Ooster begraafplaats te Amsterdam. Restauratie 2012.
Gedenksteen met enkele versregels van Perk ingemetseld op de plaats waar het woonhuis van de familie Perk stond, thans Lange Breestraat 4 te Dordrecht.

Meer over:
Cookies

Deze website gebruikt noodzakelijke cookies voor een correcte werking en analytische cookies (geanonimiseerd) om de statistieken van de website bij te houden. Marketing cookies zijn nodig voor laden van externe content, zoals YouTube-video's of widgets van Sociale Media. Zie ons cookiebeleid voor meer informatie, of om je instellingen later aan te passen.