vrijdag 25 juni 2021

Alles over Dordrecht

Wethouder Marcel Doodkorte vraagt om respect van gemeenteraad Dordrecht in affaire ToBe

15 december 2016

DORDRECHT - DORDRECHT - VVD-wethouder van Gorkum, Marcel Doodkorte, vraagt om respect van de gemeenteraad en het college van Dordrecht. Hij vindt dat de Dordtse politiek het niet met hem eens hoeft te zijn, dat hij niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar het falen van cultureel centrum To Be. Dat blijkt aan een brief van hem, die voor aanstaande dinsdag (22 december) is toegevoegd aan de agenda van de gemeenteraad.

Doodkorte verwijt de media een onjuist en ongenuanceerd beeld over heb gegeven te hebben. Hij bevestigt wel op met name juridische gronden niet te hebben kunnen meewerken aan een onderzoek van KPMG naar To Be. Daarnaast vindt Doodkorte dat de raad van Dordrecht ook geen recht heeft om zijn opvattingen te vernemen. Hij zou namens de partijen die subsidie hebben gegeven aan To be in de Raad van Toezicht zijn gekomen en dus niet namens de gemeenteraad van Dordrecht.

Volgens een bericht in het AD blijven raadsleden in Dordrecht ondanks de brief met vragen lopen over de rol van Doodkorte.

De brief uit Gorkum heeft als tekst:


Aan het College van Burgemeester en Wethouders

en de leden van de gemeenteraad van de gemeente Dordrecht

Postbus 8

3300 AA Dordrecht

Goudriaan, 13 december 2016

Geacht College, geachte leden van de gemeenteraad,


Sinds half november van dit jaar zijn er met regelmaat publicaties en andere media-uitingen geweest ter zake van de “Rapportage feitenonderzoek ToBe” van KPMG Advisory N.V.. In de bedoelde publicaties en overige media-uitingen zijn er verwijten, aantijgingen en beschuldigingen geuit welke zijn gericht tegen mij als persoon. In de bedoelde periode heb ik mij, achteraf zeer tot mijn spijt, een keer laten verleiden om te reageren op vragen vanuit de media. De weergave van mijn beantwoording vind ik vervolgens uiterst gefragmenteerd en buiten proportioneel uit de context en het door mij geschetste verband terug in de krant. Ik moet vaststellen dat een en ander niet heeft bijgedragen aan het schetsen van een genuanceerd beeld van mijn kant van de zaak.

Door de krant geschetste uitspraken als “iedereen moet in principe bereid zijn verantwoording af te leggen voor zijn handelen” , resp. “Doodkorte wilde meer geld ToBe” , resp. “Dit zwijgen kleeft aan hem. Het maakt verdacht”, resp. “Toezichthouders verrijkten zich bij ondergang ToBe” wekken, in ieder geval bij mij, de suggestie als zou de persoon resp. de actoren in kwestie zich hebben onttrokken aan het afleggen van verantwoording resp. dat er niet naar eer en geweten zou zijn gehandeld. Dit alles heeft voor mijn persoon een zeer onplezierige gemoedsrust en een volstrekt onterecht negatieve beeldvorming tot gevolg. Overigens stel ik vast dat het betreffende rapport mij nooit is aangeboden. Behoudens wethouder Sleeking heeft geen van de actoren waarvan de media uitspraken schetst (de juistheid kan ik niet toetsen) mij na het verschijnen van het rapport benaderd om mijn opvatting omtrent een en ander te vernemen.

Op verzoek van de heer Sleeking heeft de ambtelijke organisatie mij vrijdag 9 december 2016, aan het einde van de middag, een afschrift gestuurd van de “reactie op vragen D66 Interpellatie t.b.v. ToBe”.


Hoewel ik uw argumenten, motieven en drijfveren evenals de inhoud van de discussie die is voorafgegaan aan het indienen van de motie “Publieke Gerechtigheid” (besluitvorming gemeenteraad 29 september 2015) niet ken, respecteer ik uw handelen in deze ten volle.

Eenzelfde respect van uw zijde, en meer specifiek die van de zijde van de gemeenteraad van de gemeente Dordrecht, mis ik ten aanzien van mijn handelen in dit dossier. Wellicht dat dit wordt veroorzaakt door het feit dat u vindt resp. de leden van uw gemeenteraad vinden dat u er recht op heeft om mijn argumenten en motieven te kennen. Hoewel ik omtrent dit laatste naar alle waarschijnlijkheid fundamenteel met u van opvatting verschil lijkt het mij NU het moment om u in ieder geval deelgenoot te maken van mijn belemmeringen en overwegingen die hebben geleid tot het niet mee (kunnen) werken aan het onderzoek dat KPMG Advisory N.V. in opdracht van uw raad heeft uitgevoerd.

Bij brief van 14 mei 2012 heeft de Subsidientenraad ToBe mij, bij bindende voordracht, aanbevolen als lid van de Raad van Toezicht van ToBe. Aan mijn benoeming in de RvT is het voorzitterschap van de Subsidientenraad gekoppeld. Deze voorzittersrol heb ik tot de maand april van het jaar 2015 vervuld. In deze periode ben ik er in geslaagd om nadrukkelijk de verbinding tot stand te brengen (en te houden) tussen de Subsidientenraad en de Raad van Toezicht. Een belangrijk resultaat van deze verbinding is dat de Subsidientenraad in de loop van het kalenderjaar 2013 voortaan voorafgaand aan de vergaderingen van de Raad van Toezicht bijeen komt (en dus ook in de positie is komen te verkeren dat zij kan adviseren omtrent zaken die zijn geagendeerd voor de RvT) en niet meer -zoals tot op dat moment gebruikelijk- achteraf werd geïnformeerd over de besluitvorming binnen de Raad van Toezicht. Verantwoording van het te voeren respectievelijk gevoerde beleid door ToBe heeft steeds binnen de Subsidientenraad plaatsgevonden. Het zijn vervolgens de wethouders die zich verantwoorden naar de afzonderlijke raden resp. deze informeren.


Op 23 januari 2014 heb ik, op uitdrukkelijk verzoek van de overige leden van de RvT, tijdelijk de rol van voorzitter van de RvT op mij genomen. In september 2014 wordt mijn voorzitterschap geformaliseerd. Ik blijf voorzitter van de Raad van Toezicht tot het moment waarop de Stichting ToBe in surseance van betaling komt te verkeren (in de loop van de maand december 2015).

Volgens berichtgeving van het Algemeen Dagblad zou ik geweigerd hebben mee te werken aan het onderzoek van KPMG. Deze berichtgeving is apert onjuist! KPMG zelf schrijft in haar rapport nadrukkelijk zuiverder en genuanceerder, te weten “een voormalig directeur-bestuurder en een voormalig voorzitter van de Raad van Toezicht hebben aangegeven niet aan het onderzoek mee te kunnen werken wegens uiteenlopende redenen”. In deze formulering kan ik mij vinden. In de periode van 28 april 2016 tot en met 13 juli 2016 is er door mij regelmatig met KPMG gecorrespondeerd waarin alle mogelijkheden zijn afgetast om bestaande belemmeringen te slechten en uiteindelijk toch mijn medewerking te kunnen verlenen aan het onderzoek. Helaas is een en ander uiteindelijk niet mogelijk gebleken.


Het niet mee kunnen werken aan het onderzoek kent een drietal hoofdredenen, te weten:

    Voorwaarden van de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering van ToBe. Omtrent de polisvoorwaarden is juridisch advies ingewonnen. Ik heb mij door het primaire advies ter zake laten leiden. Mij is bekend dat een ander lid van de RvT en de laatst in dienst zijnde directeur-bestuurder a.i. van ToBe hierin andere afwegingen hebben gemaakt.

    Afspraken die zijn gemaakt met een voormalig directeur-bestuurder van ToBe, inclusief de gesloten Vaststellingsovereenkomst. Hieromtrent heeft juridische afstemming plaatsgevonden. Het staat mij niet vrij om te communiceren over de aanleiding, inhoud en uitwerking van de betreffende Vaststellingsovereenkomst.

    Het onderzoek is geëntameerd vanuit de raad van de gemeente Dordrecht. Ik ben namens de Subsidientenraad binnen de Raad van Toezicht een vooruitgeschoven post geweest namens alle subsidienten en niet alleen namens Dordrecht. Bovendien zijn de subsidienten in het traject van verandering/optimalisatie van de organisatie ToBe en de uiteindelijke beslissing tot surseance van betaling resp. faillissement volledig meegenomen en zijn belangrijke (en onomkeerbare) beslissingen vooraf met hen kortgesloten resp. hebben zij daarmee hun instemming al dan niet betuigd resp. kunnen betuigen.

Vast en zeker niet met dezelfde woorden maar zeer zeker wel met dezelfde strekking heb ik de pers geantwoord. Helaas heeft de weergave hiervan in de media niet bijgedragen aan meer duidelijkheid.


Ik ben blij met de nadere uitleg ter zake van de “Vergoedingssystematiek Raad van Toezicht” zoals deze is verwoord in de “reactie op vragen D66 Interpellatie t.b.v. ToBe” van vrijdag 9 december 2016. Deze uitleg weerlegt wat mij betreft in voldoende mate de eerder in de pers verschenen ongenuanceerde uitingen ter zake van “verrijking bij de ondergang van ToBe” resp. “het meer geld willen hebben”.


Tot slot meld ik u uitermate trots te zijn op “ MIJN” Raad van Toezicht. Een Raad die zich heeft gekenmerkt door schouder aan schouder, met het belang van de medewerkers en leerlingen van ToBe voorop, stap voor stap, zich –samen met de subsidienten- te willen inzetten om van ToBe een duurzaam gezonde en strak geleide organisatie te maken. Het was mij een voorrecht om van deze club betrokken mensen voorzitter te mogen zijn.

Helaas is de ambitie van een duurzaam gezond ToBe, in het zicht van de haven, gestrand. Dat spijt mij in meerdere opzichten maar vooral voor al die mensen die uiteindelijk hun baan zijn verloren.


Ik vertrouw er op u met dit schrijven voldoende duidelijkheid te hebben verschaft omtrent mijn opvattingen, afwegingen en overwegingen met betrekking tot het niet mee kunnen werken aan het onderzoek KPMG.

Ik vraag u niet om mijn opvattingen, afwegingen en overwegingen te onderschrijven of tot de Uwe te maken. Wel vraag ik uw respect.


Met deze brief sluit ik het dossier ToBe.


Hoogachtend,


Marcel A.J. Doodkorte

Voormalig voorzitter van de Raad van Toezicht van de Stichting ToBe

Deel dit bericht met je vrienden!