Alles over Dordrecht...
26feb 2012

"Dordtse" tabernakel pronkstuk expositie in De Nieuwe kerk Amsterdam

DORDRECHT - Ds. Leendert Schouten (1828-1905) lijkt buiten Dordrecht nog steeds een veel grotere bekendheid te hebben, dan in  zijn geboorteplaats Dordrecht. Deze stad  is hem misschien wel vergeten.

In de Nieuwe Kerk in Amsterdam neemt hij een prominente plek in bij de expositie Jodendom, een wereld vol verhalen. De Dordtenaar bouwde immers het Joodse heiligdom de tabernakel na. Dat is nu eigendom van het door hem in Amsterdam opgerichtte Bijbels Museum, maar is speciaal voor de tentoonstelling naar De Nieuwe kerk verplaatst.  In het Bijbels Museum wordt wel altijd aangegeven, dat het leven van de grondlegger van het museum in Dordrecht is begonnen.

Ds. Schouten is daarom wellicht het Dordtse accent in Amsterdam, gelet op zijn jeugdjaren.

De Tabernakel van Schouten wordt aangeduid als wereldberoemd.

De tentoonstelling laat tevens zien, dat na de tweede wereldoorlog veel Joodse cultuur is verdwenen en dat veel gezichten niet terug kwamen. Dordrecht betaalde ook een prijs en sloopte later de Joodse buurt rondom de Grote Markt als onderdeel van het saneringsplan 1962.  Pas in 1989 werden door de plaatsing van een monument in het Stadhuis namen van omgekomen Joodse Dordtenaren weer genoemd.

Meer info:
Schouten werd geboren in Dordrecht in het welvarende gezin van een handelaar. Zijn moeder overleed toen hij twaalf was. In zijn tienertijd bouwde hij een klein poppentheater, een zogenaamd tafeltheater. Dat is bewaard gebleven en tegenwoordig te bezichtigen in het poppenspelmuseum La Condola in Haarlem. Pas op zijn zeventiende – relatief laat – kreeg Schouten toestemming van zijn vader om theologie te gaan studeren. Om het Hebreeuws en Latijn onder de knie te krijgen werd hij in 1846 in huis geplaatst bij een hervormd predikant in Haaksbergen.

Dordtenaar Schouten op jongere leeftijd

Van 1849 tot 1854 studeerde Schouten in Utrecht. Hij raakte gefascineerd door de Bijbelse Tabernakel en besloot deze op schaal na te bouwen. Als welgestelde student kon hij zich de aanschaf van materialen daarvoor veroorloven. Op 18 september 1851 was de Utrechtse predikant J.F. van Hoogstraten de eerste bezoeker van de Tabernakel die in een bovenkamer in het huis van Schouten tentoongesteld stond.

Schouten begon in 1854 te werken in de hervormde kerk van Koudekerke. Later volgden Vianen (1857), Veenendaal (1862), Apeldoorn (1863), Harderwijk (1867), Rotterdam (1873) en Utrecht (1879). Tot zijn emeritaat in 1894 zou hij daar werkzaam blijven. De Tabernakel reisde steeds mee en werd iedere keer in de pastorie tentoongesteld. In Apeldoorn behoorden ook leden van het koninklijk huis tot de kerkelijke gemeente van Schouten. Ook bezochten verschillende leden – namelijk koningin Sophie, prins Wilhelm, prins Alexander en prinses Pauline van Saksen- Weimar – de Tabernakel. Een verhaal gaat dat ook koning Willem III de Tabernakel wilde bezichtigen, maar verschoond wilde blijven van de stichtelijke uitleg van Schouten. Dit was voor de dominee een reden om de koning niet uit te nodigen.

Familie
De dominee trouwde op 8 oktober 1863 met Elisabeth Jacomina Couvée. In totaal kregen zij samen 6 kinderen, waarvan één kort na de geboorte overleed. Zijn oudste zoon Hubertus werd ook predikant. Deze was homoseksueel en kon niet met zijn gevoelens omgaan. In 1903 werd hij wegens ziekte eervol ontslagen als predikant. Hij raakte in een sociaal isolement en moest in 1911 zelfs uitwijken naar België, omdat hij werd aangeklaagd door justitie omdat hij zich in een pamflet gekeerd had tegen een wet die seksuele omgang tussen mannen en jongens onder de zestien verbiedt.

Positie binnen de kerk
Binnen de kerk behoorde Schouten tot de conservatieve stroming die zich keerde tegen veel moderne standpunten, zoals de Schriftkritiek en de leervrijheid. Aanvankelijk stond hij sympathiek ten opzichte van de stroming van Abraham Kuyper. Hij stond in correspondentie met hem. Deze kwam ook de Tabernakel bezichtigen. De polariserende stijl van Kuyper en de laatdunkende opmerkingen over de Utrechtse theologische faculteit stuitte Schouten echter tegen de borst. Hij brak definitief met Kuyper toen deze stelling nam tegen het zingen van gezangen. Schouten was daar juist een warm voorstander van. Tijdens de Doleantie in Utrecht, die het gehele jaar 1886 voor veel onrust zorgde en in maart 1887 tot een definitieve breuk leidde, was Schouten één van de felste tegenstanders van de afscheiding.

Op- en uitbouw Bijbels Museum

Model van de Tempelberg, zoals het vandaag de dag te bezichtigen is in het Bijbels Museum

Intussen was Schouten overgegaan tot het verzamelen van voorwerpen met een link naar de bijbel. Deze werden hem voor een belangrijk deel overhandigd door mensen die een bezoek brachten aan Palestina en/of omliggende landen. Schouten had een uitgebreide collectie van planten en opgezette dieren die in de bijbel voorkomen. Verschillende Egyptische beeldjes werden hem opgestuurd door de Nederlandse consul in Alexandrië. Vooral via de Zwitserse architect Conrad Schick kreeg hij veel materiaal toegezonden, waaronder een steen die tijdens een aardbeving van de klaagmuur was losgeraakt. De architect vervaardigde in 1879 in opdracht van Schouten een model van de Tempelberg op schaal. Ook verkreeg de predikant via hem een exemplaar van een doodsbeenderenkist van kalksteen die kort daarvoor in een grafspelonk in Jeruzalem was gevonden. Aan andere voorwerpen kwam Schouten door deze te kopen op veilingen in binnen- en buitenland.

Schouten stelde in Utrecht zijn huis eenmaal in de twee weken open voor bezoekers. Er kwamen steeds meer groepen die de verzameling kozen als doel van hun jaarlijkse uitstapje. Bij de Tabernakel hield de predikant altijd een stichtelijke overdenking. Vermoedelijk hebben in de Utrechtse periode enkele tienduizenden mensen de tentoonstelling bezocht. Eén van de laatsten die een rondleiding van Schouten kreeg was koningin Emma.

De dominee was bang dat na zijn overlijden zijn verzameling uit elkaar zou vallen. Daarom had hij ervoor gezorgd dat deze in een stichting werd ondergebracht, met als doel de collectie bij elkaar te houden in een museum. Dit museum zou uiteindelijk pas op 10 juni 1925 in Amsterdam worden geopend.



Deel dit bericht met je vrienden!