Historisch nieuws vanuit de Augustijnenhof. Deel 08: Gehalveerd of zo gebouwd?
Zo’n beetje alles is asymmetrisch aan het stokoude bedrijfspandje Vest 163. Het staat tussen de Vriesestraat en het Bagijnhof, naast het voormalig Leprooshuis. Er wordt blijkbaar geen cultuurhistorische waarde aan toegekend, want het ontbreekt zowel op de gemeentelijke- als op de Rijksmonumentenlijst. Wellicht omdat het zo ‘verminkt’ is? Maar is dat eigenlijk wel zo? Zou het niet kunnen dat het zo is gebouwd? Het is een bureauonderzoekje naar de bouwgeschiedenis waard…

Aan de westzijde van het pand staan twee dubbele woonhuizen. Mijn eerste gedachte was dat het is gehalveerd om plaats te mken voor de bouw van die huizen. Wat daarbij had kunnen helpen is het jaartal dat de eigenaar van het rechterhuis op de gevel heeft laten plaatsen.
Maar helaas, bij het inzoomen op de foto van de gevelrij wordt duidelijk waarom je een jaartal beter op de gevel kunt schilderen want er is een voor de datering cruciaal cijfer afgevallen, waardoor er met ‘ANNO 18?3’ wel wat veel fantasie van de kijker gevergd wordt.

Uit de bouwvergunning blijkt dat de huizen in 1893 zijn gebouwd in opdracht van Gidion Martinus Brugman. Althans, ze werden gebouwd als pakhuizen met bovenwoningen, maar een jaar later werden de pakhuizen tot benedenwoningen getransformeerd. Als bij de bouw van de huizen het bedrijfspand ‘gehalveerd’ zou zijn, is het logisch dat Brugman daar dan ook de eigenaar van was. Dat bleek echter niet het geval te zijn, dus we moeten verder terug in de tijd.
Op de beeldbank van het Regionaal Archief Dordrecht bevindt zich een fraaie tekening uit de jaren 70 van de negentiende eeuw van bierbrouwerij De Lelie op de Vest, met daarnaast het gezochte bedrijfspand. De gevel zag er toen hetzelfde uit als tegenwoordig, zij het dat er destijds sprake was van één ingang.

Maar de brouwerij en het tegenwoordige Vest 163 hadden ook verschillende eigenaren, dus als het pand inderdaad ‘gehalveerd’ is, dan moeten we nog verder terug in de tijd op zoek naar één en dezelfde eigenaar van beide percelen. En zowaar, we komen terecht in een koopakte van 20 juni 1780.
Op die dag kocht de voerman (koetsier) Rudolph Bremkes van de smeden Jan en Jacobus Scholting ‘een koetshuis en stallinge staande en gelegen op den Stads Veste nabij de Vriesepoort binnen dese Stad belent de smederij van Jan en Jacobus Scholting aan de eene, en 't Leprooshuis aan de andere zijde’.
De bierbrouwerij was gevestigd in de hier genoemde smederij, het koetshuis dat Bremkes hier kocht is het tegenwoordige pand Vest 163. Dat had in 1780 de vorm zoals we die nu kennen. Dit is af te leiden uit het feit dat de perceelgrootte ongewijzigd is. Bremkes verkocht het koetshuis in 1817 aan de Stad Dordrecht, waarna het dankzij de invoer van het kadaster in 1832 zijn perceelgrootte prijsgaf. De gemeente had het pandje tot 1964 als bergplaats voor een brandspuit in gebruik.
De gebroeders Jan en Jacobus Scholting hebben de smederij en het koetshuis verkregen uit de nalatenschap van hun in 1780 overleden vader Hendrik Scholting, met wie we wederom een stap terug in de tijd maken. Hendrik kocht in 1729 twee woonhuizen te weten:
Op 13 oktober 1729 verkoopt Hendrik Lepla, koopman, aan Hendrik Scholting Mr. smith, een huis en erf staande ende gelegen op s'Heeren Veste ontrent de Vriesepoort deser Stede, streckende tot tegens het Leprooshuijs belent het voorz. Leprooshuijs aand'eene en het huijs op heden aan den voorz. Cooper mede getransporteert aan d'andere zijde.
Op 13 oktober 1729 verkoopt Lena van Ratingh, meerderjarige ongehuwde Dogter, aan Hendrik Scholtingh een huijs en Erve staande ende gelegen op s'Heeren Veste ontrent de Vriesepoort deser Stede, belent het huijs op heden mede aan den voorz. Cooper getransporteert aan d'eene en het huijs van Matthijs Toussain aen d'andere zijde.
Uit het verpondingsregister van 1731 en eerdere transportakten is af te leiden dat er op de locatie van Vest 163 inderdaad een woonhuis stond. Hieruit volgt dat Scholting zowel het koetshuis als de daarnaast staande smederij heeft laten bouwen, waarin later brouwerij De Lelie werd gevestigd.

Rest de vraag of het koetshuis écht niet is gehalveerd. Hoe asymmetrisch de tuitgevel ook moge zijn, opmerkelijk is dat ze aan beide zijden ‘schouders’ heeft, die met natuurstenen platen zijn afgedekt. Dat zou ervoor pleiten dat het zo is gebouwd.
Ik nomineer dit bijzondere pandje voor een bouwhistorisch onderzoek en – gehalveerd of niet – voor een plekje op de monumentenlijst…

Bron: Jan Willem Boezeman (Augustijnenhof).
U kunt zich gratisop het cultuurhistorisch e-Zine 'Dordrecht Monumenteel | Dordts Geboren' abonneren op https://augustijnenhof.nl/tijdschrift.
