Historisch nieuws vanuit de Augustijnenhof. Deel 06: Een hotel met Kelnerinnenbediening

16 maart 2026 • 11:14 door Augustijnenhof
Historisch nieuws vanuit de Augustijnenhof. Deel 06: Een hotel met Kelnerinnenbediening

Voor de Hoge Nieuwstraat mag het herenhuis op nummer 79 opmerkelijk worden genoemd, want in het havengebied zou je dit pand aan de Wolwevershaven of de Nieuwe Haven verwachten. Het pand begon zijn carrière als het stamhuis van de familie Vriesendorp en werd hierna een hotel met ‘kelnerinnenbediening’, ofwel een bordeel.




Op de monumentenlijst wordt het huis gedateerd in het eerste kwart van de achttiende eeuw, maar dat is veel te vroeg. Hethuiswerdtussen 1790 en 1796 voor de familie Vriesendorp gebouwd. Stamvader van de familie is de in Unna (Westfalen) geboren suikerraffinadeur Hendrik Vriesendorp.

Op de foto rechts zien we museum Huis Van Gijn op de Nieuwe Haven, dat in 1729 werd gebouwd. Het vertoont een opmerkelijke gelijkenis met Hoge Nieuwstraat 79, op de foto links, en heeft daar ongetwijfeld model voor gestaan.

De voorganger van het huis

In 1739 kocht Hendrik Vriesendorp jr. (1715-1788) samen met zijn zakenpartner en zwager Isaac Morjé van Wilhelmina Geertruij de Monchij “eenzeer bequam, commodieus en welgelegen dubbelt huys en erve voorsien met diverse behange kamersen vertrekken.

Die aankoop had een zakelijke insteek. Vriesendorp en Morjé kochten in dezelfde periode de houthandel van Roeland Kuijter en zijn zakenpartner Gijsbert de Lengh, stichter van het Regenten- of Lenghenhof. Deze houthandel was gevestigd in het geel omlijnde deel van deze kaart en lag pal achter het huis dat Vriesendorp en Morjé kochten. Naast woonhuis voor Vriesendorp werd het tevens het kantoor van hun bedrijf. In 1761 kreeg Hendrik het dubbele woonhuis in zijn geheel in eigendom.

De Roode Molen en Vossenburgh

Al in 1595 stonden er op deze locatie twee huizen, beide door de huistimmerman Cornelis Aertsz. van de Graeff gebouwd. Het westelijk staande huis kreeg de naamDen Rooden Molenen het belendende huis aan de oostzijde heetteVossenburgh.In 1635 respectievelijk 1638 kwamen deze twee huizen in bezit van Willem Groot, een luitenant van de generaliteit scheepsbruggen. Hij voegde ze samen tot één groot woonhuis, waarmee het ‘dubbelt huys’ontstond dat Vriesendorp en Morjé in 1739 kochten. Het zou de basis worden voor het kolossale huis dat we nu kennen als Hoge Nieuwstraat 79.

Nieuwbouw

Jacob Vriesendorp erfde het dubbele woonhuis van zijn in 1788 overleden vader. Hij maakte al snel plannen om het toen al bijna tweehonderd jaar oude pand te laten slopen,om op die plek een representatief woonhuis te laten bouwen naar voorbeeld van het huis Nieuwe Haven 29, thans museum Huis Van Gijn. In datzelfde jaar kocht hij het pakhuisje aan de westzijde, dat hij in een bijpassende stijl zou laten herbouwen. De bouw is in de zomer van1790 gestart en het huis was in oktober 1796 gereed. Jacob heeft dus zes jaar moeten wachten voordat hij het met zijn gezin kon betrekken. In die tijd woonde hij op de Hoge Nieuwstraat 55.

Wie waren de werklieden?

Waar een opdracht gever tegenwoordig met één aannemer te maken heeft, waren dat in de achttiende eeuw vele kleine zelfstandige bouwlieden. Bij de bouw van dit huis waren tegen de twintig personen betrokken. Meestermetselaar en timmermansbaas Gillis Schotel sloopte het oude huis en het daarnaast staande pakhuis, veranderde de ingang van de kelder, metselde het nieuwe huis, bouwde het comptoir en leverde de benodigde materialen. Schotel kan daarmee min of meer als hoofdaannemer / organisator worden gezien. Jan Smak van Strij voerde het steenhouwwerk uit. Buurtgenoot Jacob Slegt (hij woonde in het nog bestaande huis Hoge Nieuwstraat 140) was de timmerman. In de rekeningen worden de “bagetlijstenin ’t groot salet en thuynkamer, het comptoir, de pottekast en de lambrizering op de groote trap”als zijn timmerwerk vermeld.

Adriaan van der Endt was de loodgieter en glazenmaker en Barent Voskamp de koperslager. Beeldhouwer Jan Ernst Heijken woonde dichtbij aan de Nieuwe Haven, thans nummer 46. De stukadoor was Andries Boudier. Pieter Hennekamp werkte als draaier, Pieter Piera als blokmaker en Barend du Hen als blikslager. Het huis werd behangen door Johan Michiel Schmidt. Nicolaas de Rouw was de kuiper en Johannes Romijn de spiegelmaker. Het schilderwerk werd uitgevoerd door de bekende schilders familie Van Strij en het ijzerwerk kwam uit de smederij van de weduwe Burgers. Tenslotte waren er vier ijzerkopers bij de bouw betrokken: de weduwe A. ’tHooft en Zoon, A.van Riemsdijk, J.Vermandeen J.Putsch.

Behangschilderingen Abraham van Strij

Aan de schilders Van Strij werd een bedrag van ƒ2.378 uitgegeven. Deze post bleek niet alleen betrekking te hebben op regulier schilderwerk, zij leverden ook vijf kamerbehangsels. Deze zijn gemaakt door Abraham van Strij (1753-1826) en werden in 1893 uit de salon van het huis verwijderd en door veilinghuis MAK aan Fernand baron de Wouters d’Oplinter verkocht, die ze in zijn huis in Brussel had laten aanbrengen. In 1933 kwamen ze terug bij het veilinghuis en werden ze door het Gemeentelijk museum ’s-Gravenhage aangekocht, waar ze in de Lodewijk XVI-zaal te bewonderen zijn. Op twee van de doeken had Abraham van Strij het Fluitschip Dordrecht van zijn opdrachtgever Jacob Vriesendorp afgebeeld.

De totale bouwsom kwam uit op 39.000 gulden. Om te bepalen ‘hoe hoog’ dit bedrag was, vergeleken we het met gegevens van andere huizen in deze periode. In 1792 overleed Johan van Neurenbergh, eigenaar van het pand dat we nu kennen als museum Huis Van Gijn. Dat werd bij zijn overlijden getaxeerd op 20.000 gulden. In 1798 werd het behoorlijk grote en toen recent gebouwde huis Nieuwe Haven 44 met een flinke zijtuin (waar nu Nieuwe Haven 45 op staat) verkocht voor 7.500 gulden. In de periode 1790-1799 lag de verkoopprijs van een gemiddeld huis op het Nieuwe Werck op ongeveer 2.000 gulden. Dankzij deze informatie kunnen we concluderen dat de bouwsom van het huis buitengewoon hoog was. 

Na maar liefst 154 jaar was koopman en lid van de gemeenteraad Henri Vriesendorp in 1893 de laatste van de familie die het huis heeft bewoond. In dat jaar verkocht hij het aan Jan Hattink (1842-1923), controleur der rijksbelastingen, die het huis met zijn vrouw, zijn vier kinderen en twee dienstboden betrok. In 1898 vertrok het gezin naar ’s-Gravenhage waarna het huis bijna twee jaar onbewoond zou blijven, voordat het in 1900 aan hotelhoudster mevrouw Füssangel werd verkocht. Er brak een turbulente periode voor het statige herenhuis aan.

Hotel Café Internationaal

Met toestemming van de gemeente liet Füssangel in het najaar van 1900 dit hieronder afgebeelde uithangbord aan de gevel hangen. In het pand, waar kamers genoeg waren, werd een hotel gevestigd. Althans, dat veronderstelden de gemeente en de buurtbewoners. Het werd echter een bordeel.


Lange Geldersekade 1

In 1894 verhuisde de in Duitsland geboren Maria Josepha Füssangel (1850-1917) met haar 20-jarige dochter Catharina Hüsgen, die als kelnerin werkzaam was, vanuit Rotterdam naar Dordrecht. Ze vestigden zich in het huis Leuvebrug 1. Of Füssangel in haar hotel aan de Leuvebrug een bordeel heeft geëxploiteerd, is niet bekend, maar dit ligt wel voor de hand. DeDordrechtsche Courantvan 23 december 1899 maakt melding van drie jongens die vanaf de Bomkade bij haar pand de ruiten hadden ingegooid. Waarom ze dat deden, wordt niet vermeld.

Feit is dat Füssangel in 1900 in staat was om 12.000 gulden voor het pand aan de Hoge Nieuwstraat te betalen, wat toen een aanzienlijk bedrag was. Het eeuwenoude pand aan de Leuvebrug was in slechte staat; het werd in 1906 gesloopt om plaats te maken voor het tegenwoordige huis Lange Geldersekade 1.

In een advertentie in hetDordrechtsch Nieuwsbladvan 6 mei 1903 werd het huis aan de Hoge Nieuwstraat aangeprezen als “café met kelnerinnenbediening”.

In dit artikel in hetDordrechtsch Nieuwsbladvan 30 maart 1905 is te lezen hoe Maria Füssangel te werk ging bij de werving van meisjes:

Een 23 jarig meisje, bij haar ouders te Rotterdam inwonend, was buiten betrekking geraakt. Zij vervoegde zich de vorige week bij een te Rotterdam wonende besteedster om een anderen dienst te bekomen. Tot haar groote vreugde slaagde ze. Zij kon namelijk als dienstbode in een groot hotel te Dordrecht geplaatst worden, tegen een weekloon van vijf gulden benevens kost en inwoning. Natuurlijk nam het meisje de betrekking aan, na eerst overleg met haar ouders te hebben gepleegd. J.l. vrijdagavond werd zij door den z.g.n. hotelhouder bij de besteedster afgehaald en medegenomen naar het groote hotel te Dordrecht, dat zich aan de Hooge Nieuwstraat 39 bevindt.

Niet zoodra was het meisje gearriveerd of alras kwam haar de omgeving verdacht voor. Haar hoofdhaar werd gefriseerd, haar wangen met blanketsel bestreken, enz. Daar zij hiervan niet gediend was en misschien had begrepen in welke inrichting zij onschuldig was verzeild geraakt, vroeg zij den volgenden morgen (Zaterdag) naar huis te mogen terugkeeren. Dit werd niet toegestaan, omdat zij, zooals de hotelhoudster te kennen gaf, nog schuld moest aanverdienen, zijnde de gemaakte kosten aan de besteedster, reisgeld enz.

Zondagmorgen 12 uur, toen de dienstbode iets in den salon te verrichten had, zag zij de voordeur op een kier staan en ofschoon slechts in een katoenen pakje gekleed, aarzelde zij niet het huis te ontvluchten en haar troost bij de politie te zoeken, wie zij verzocht haar te willen voorthelpen naar haar woonplaats. Nadat zij haar wedervaren had verteld, werd aan dit verzoek voldaan, zoodat zij Zondagavond weer in de ouderlijke woning terug was.

Inmiddels werd ook door de politie, in verband met het bovenstaande, een 24-jarige kellnerin uit hetzelfde hotel aan het hoofdbureel ontboden. Dit meisje was geboortig uit Warfum (Groningen). Zij werd gewezen op het gevaarlijke pad waarop zij zich bevond en dat vroeg of laat op haar ongeluk moest uitloopen. Het hart der 24-jarige bleef voor de vermaningen niet ongevoelig. Na eenigen tijd gaf zij te kennen haar leven te willen beteren en niet meer naar het hotel terug te keeren. Bezwaarlijk kon zij nu den nacht in het hoofdbureel doorbrengen, waarom de politie zich wendde tot een alhier woonachtige dame, verbonden aan het Heilsleger. Alsmede tot den alhier gestationeerden adjudant van het leger, welke laatste, onder dankbetuiging voor de door de politie bewezen tusschenkomst onmiddellijk bereid was de gewezen kellnerin voor dien nacht in zijn echtelijke woning op te nemen.

Eerstgenoemde juffrouw zocht toen eenige gegoede kennissen op, wien zij het gebeurde vertelde. Zoodoend bracht zij een kleine som bij elkaar, voldoende voor de eerste behoeften van het meisje, alsmede voor de overtocht naar Den Haag, alwaar zij in het Reddingshuis van het Leger des Heils zoolang zal verblijven tot voor haar een nette betrekking is gevonden. Onder geleide van de adjudante is zij maandagmorgen derwaarts gebracht. De hotelhouder werd zondag na een streng verhoor met een duchtige berisping huiswaarts gezonden. Rest ons nog een woord van lof aan de politie voor haar tactvol en aan de dame en officieren van het Heilsleger voor hun liefderijk optreden. Een aangename voldoening moet het voor allen zijn een mensch voor ondergang te hebben behoed.

De politie hield de activiteiten in het pand nauwlettend in de gaten en rapporteerde daarover voortdurend aan het stadsbestuur, zoals de commissaris van politie bijvoorbeeld op 7 oktober 1909:

Ik heb de eer U Edelachtbare mede te deelen, dat sedert het aan U gericht schrijven dd. 17 September jl. op het gebied der prostitutie, de volgende mutatiën zijn voorgekomen: Den 29sten Sept. j.l. heeft Jacoba Hendrika Elisabeth De Vries, geboren 9-4-1883 te Amsterdam, huisvrouw van Augustus Gerlings, de woning van Josepha Emma Szolc woonachtig aan de Hooge Nieuwstraat no. 39 verlaten en zich begeven naar Rotterdam, terwijl den volgenden dag, zoogenaamd als kamerhuurster, bij deze haar intrek heeft genomen eene vrouw volgens haare opgaaf genaamd Marie Theodora van Wel, geboren te Sloten (N.H.) den 26 October 1887 en komende van Amsterdam. Den 28 September jl. is naar Rotterdam vertrokken Gelske Kalma, geboren 5-5-1872 te Jellum, die alhier verblijf hield ten huize van Maria Elisabeth van Megen, verlaten huisvrouw van Gerardus van Steenhoven, woonachtig aan den Bleijenhoek 17, terwijl bij deze den 4den dezer, zoogenaamd als kamerhuurster, haar intrek heeft genomen eene vrouw, volgens hare opgaaf Anna Brammes geboren den 14 Februari 1878 te Maastricht en gekomen van Amsterdam.

Op 15 december 1909 laat de commissaris van politie het stadsbestuur weten:

Gisteren is Josepha Emma Szolc, geboren 17-3-1856 te Krotschin, met Maria Theodora van Wel, geboren 26-10-1887 te Sloten (NH) die bij haar inwoonden, vertrokken naar Zutphen, terwijl dienzelfden dag het door haar verlaten pand aan de Hooge Nieuwstraat 39 is betrokken door Geertru Kepller, die den laasten tijd woonachtig was aan de Schrijversstraat 12. Voorts is gisteren zoogenaamd als kamerhuurster, bij deze gaan inwonen Maria Anthonia van den Boogaart, geboren 28-7-1878 te Amsterdam, komende volgens hare mededeelingen van hare geboorteplaats, terwijl Theodora Goossens geboren 29-8-1886 te Nijmegen die in laatsten tijd nu eens ten huize van G. Keppler voornoemd en dan weer elders verbleef, thans in zwangeren toestand verblijf moet houden in het Academisch Ziekenhuis te Leiden, om hare bevalling af te wachten.

Einde van het bordeel

In 1912 houdt de dan 62-jarige bordeelhoudster het voor gezien. Ze verkoopt het huis voor 10.600 gulden aan het Nederlandsch Werkliedenverbond “Patrimonium” en verzekert zich van inkomen door hen een hypothecaire lening van 8.000 gulden te verstrekken tegen een rente van 4,5 procent. Een jaar daarvoor, op 9 maart 1911, bood ze in hetRotterdamsch Nieuwsbladhaar huis genaamdTivoliaan de Coenderstraat 14 in Delft te huur aan, dat werd aangeprezen met de tekst: “voor alle doeleinden geschikt”. Blijkbaar beperkten haar zakelijke activiteiten zich niet tot Dordrecht.

Op 18 augustus 1917 wordt Maria Josepha Füssangel vanuit haar huis Celebesstraat 84 (huidig nummer) begraven op de Essenhof.De ruim een eeuw oude grafsteen staat er nog steeds en heeft, net als haar voormalige bordeel in de Hoge Nieuwstraat, een status als rijksmonument.

Bron: Jan Willem Boezeman (Augustijnenhof).

U kunt zich gratisop het cultuurhistorisch e-Zine 'Dordrecht Monumenteel | Dordts Geboren' abonneren op https://augustijnenhof.nl/tijdschrift.


Gerelateerde wijken:
Gerelateerde straten:
Hof
Meer over:
Cookies

Deze website gebruikt noodzakelijke cookies voor een correcte werking en analytische cookies (geanonimiseerd) om de statistieken van de website bij te houden. Marketing cookies zijn nodig voor laden van externe content, zoals YouTube-video's of widgets van Sociale Media. Zie ons cookiebeleid voor meer informatie, of om je instellingen later aan te passen.