Historisch nieuws vanuit de Augustijnenhof. Deel 04: Drama op de Noordendijk
Op de Noordendijk nabij de Windhondpolder speelde zich in 1907 een drama af. Een man die zich bij de het melk- en bierhuis van weduwe De Graaf voorstelde als een reiziger van een houtkoperij vroeg haar om een glas melk. Dat verliep stroef, want de weduwe vertrouwde hem niet. De man liep daarna verder langs de dijk en beroofde zich plotsklaps met twee revolverschoten van het leven. Hierna bleek dat hij zich van een valse identiteit had bediend, hetgeen de politie hoofdbrekens bezorgde. Een reconstructie.
De Dordrechtsche Courant schreef hier op 11 mei 1907 het volgende over:
Heden namiddag omstreeks één uur vervoegde zich een onbekend persoon bij de Weduwe de Graaf aan den Noordendijk alhier, waar hij een glas melk vroeg. Hij vertelde meesterknecht te zijn bij een houtkoopersfirma te Zaandam en bij verschillende firma's hier ter stede meermalen op het kantoor te komen. Hij was weduwnaar en had een dochtertje, dat ergens besteed was. Toen de vrouw, die van haar eten was opgestaan, blijkbaar onrustig werd, zeide de onbekende, dat zij gerust kon heengaan, maar zij deed dat niet alvorens de onbekende was vertrokken. Deze liep toen den dijk uit tot ongeveer 200 meter voorbij het stoomgemaal buitendijks, waar hij door een paar personen werd ontmoet. Een daarvan, eene vrouw, bleef dicht in zijn gezelschap en wilde niet doorloopen, waarop de man een revolver uit den zak haalde, de loop in zijn mond nam en aftrok. Twee schoten werden gehoord. Hevig bloedend sloeg de man tegen den dijk; weldra was hij een lijk.
De politie werd daarom gewaarschuwd en verscheen spoedig met haar brancard om het onder hare hoede te nemen. Ook zij kon niet uitmaken wie de persoon was.
Wij laten daarom zijn signalement volgen: oud ongeveer 53 jaar, lengte ongeveer l.67 meter, lichaam nogal gezet, haar blond, kleine grijzende knevel, kromme neus, gekleed in zwartwollen colbertcostuum, donker marine blauwe pet met platte glimmende klep, wit papieren liggende boord en manchetten met doublé kettingknoopjes, blauw gestreept front, waarin doublé knoopjes in den vorm van wapenschildjes, zwart zijden strikje, grijze wollen borstrok en onderbroek, flanellen hemd, zwarte sokken en zwart leeren rijgbottines. Op het lijk werden gevonden een donker grijs met zwart gestreepte foulard, een klein wit zakdoekje, eene portomonnaie met 79 cent, een tabakspijp en een Dordrechtsch Nieuwsblad van 10 mei. Alle kleeren waren ongemerkt. Naast het lijk lag de gedeeltelijk afgeschoten revolver.
Het politieonderzoek
Inspecteur van politie Gerrit Keuning en zijn collega de agent Pieter Dorst, deden op 13 mei de overlijdensaangifte. Ze verklaarden dat de overledene zich in een van de volkslogementen had voorgesteld als Simon Prinsenberg, ziekenverzorger uit Gouda, maar dat die identiteit niet klopte. In de overlijdensaangifte was daarom sprake van een niet geïdentificeerd persoon waarover de Dordrechtsche Courant op 27 mei 1907 schrijft: 'Zooals men weet, is het lijk van den persoon, die zich den 10 dezer aan den Noordendijk door een revolverschot van het leven beroofde, zonder herkend te zijn op de Algemene Begraafplaats ter aarde besteld. De kleeren, waarvan wij destijds eene omschrijving gaven, zijn in bewaring aan het hoofdbureau van politie. Blijkens het nachtregister van een logement,waar bedoelde persoon van 7 tot 10 Mei j.l. verblijf heeft gehouden, was hij genaamd Simon Prinsenberg, oud 47 jaar, ziekenverpleger, woonachtig te Gouda. Vermoedelijk is zijn ware naam Simon Cornelis Prinsenberg, geboren te Gouda 15 Augustus 1860, zoon van Abraham en Wilhelmina Wuijster. Een onderzoek in die richting heeft echter tot dusver geen resultaat opgeleverd. De commissaris van politie alhier verzoekt nadere inlichtingen omtrent de herkomst van den onbekende.'
De overledene had zich dus een valse identiteit verschaft, want de echte Simon Cornelis Prinsenberg uit Gouda (geboren 16 oktober 1860) was al overleden toen hij pas vijf maanden oud was. Maar wie was de dode man dan wel?
Vijf maanden later
Op 2 november 1907 werd zijn identiteit eindelijk vastgesteld. Het bleek te gaan om de 46-jarige in Leiden geboren Nathan Levi Prins. Inspecteur van politie Gerrit Keuning, die het lijk had gezien, herkende hem van een portretfoto die hij kreeg toegestuurd. Aan de hand van het signalement identificeerde ene Cornelia Feenstra uit Amsterdam Nathan als haar voormalige echtgenoot en vader van haar dochtertje Anna Prins. Zij wist dit te melden omdat Anna bij haar voogd Dirk van Ringelestein in Tricht (Geldermalsen) woonde en omdat Nathan, kort voor zijn dood, afscheid was komen nemen van zijn twaalfjarige dochtertje. Hij droeg bij dat bezoek dezelfde kleding als in het proces verbaal, aldus haar voogd en pleegvader Van Ringelstein.
Maar wie was deze Nathan Levi Prins, degene die nadat hij afscheid van zijn dochtertje had genomen en zichzelf op 10 mei 1907 in Dordrecht plotsklaps van het leven beroofde?
Nathan Levi Prins
Nathan werd op 12 mei 1860 geboren in Leiden als zoon van Levi Prins, een joodse koopman, en van Elisabeth Cristina Nieberg. Hij was muzikant en trouwde in 1891 te Zandvoort met de 32-jarige Cornelia Feenstra uit Lemmer, met wie hij in Amsterdam ging wonen. In 1894 werd daar hun dochtertje Sara geboren. Het echtpaar bleek niet in staat om Sara te verzorgen. Ze werd daarom in 1895 als kind van elf maanden bij het gezin Van Ringelestein in Tricht ondergebracht, bij wie ze opgroeide.
Haar vader, Nathan Levi, werd een half jaar na haar geboorte opgenomen in de Rijkswerkinrichting in Hoorn, een voormalige gevangenis die bestemd was voor mensen die de regie over hun leven kwijt waren geraakt. Na daar te zijn vrijgelaten leidde hij een zwervend bestaan en hij werd geregeld opgepakt wegens landloperij. In 1904 werd hij tot een detentie van drie jaar in Hoorn veroordeeld. Inmiddels was Sara’s moeder opgenomen in het logement voor daklozen ‘De Toevlucht’ in Amsterdam, een logement met gaarkeuken voor onbehuisden.
Nathan zat nog in detentie in de als krankzinnigengesticht betitelde Rijkswerkplaats in Hoorn, toen op 10 juli 1906 zijn huwelijk werd ontbonden. Dat bericht moet iets met hem hebben gedaan. Hij werd op 27 april 1907 vrijgelaten en is direct daarna naar Tricht gereisd om zijn dochtertje nog een keer te zien en om afscheid van haar te nemen. Hieruit volgt dat hij zich blijkbaar toen al had voorgenomen om een eind aan zijn leven te maken. Hij vertelde de weduwe de Graaf, de laatste die hij sprak voor hij zich van het leven beroofde, dat hij een weduwnaar was die zijn dochter ‘had ondergebracht’. Dat verhaal bestond blijkbaar in zijn trieste beleving want zijn inmiddels ex-vrouw leefde nog.
Zijn dochter Anna Prins trouwde op 22-jarige leeftijd te ‘s-Gravenhage met Johannes Cornelis Hol, een warmoezier ofwel groentekweker. Ze overleefde haar in 1965 overleden echtgenoot. Zou ze hebben geweten waar en hoe haar vader aan zijn einde is gekomen?

Afbveelding hierboven: De rijkswerkinrichting Hoorn in 1905. Nathan verbleef hier van 1904 tot 1907. De voormalige militaire gevangenis was een ‘verbeteringsgesticht’ voor bedelaars, landlopers, alcoholisten, souteneurs, enz.
De gevangenen moesten er krenten sorteren. Tot op heden wordt het complex in de volksmond dan ook de “Krententuin” genoemd. De binnenplaats van het complex draagt nu officieel die naam.
Bron: Jan Willem Boezeman (Augustijnenhof).
U kunt zich gratisop het cultuurhistorisch e-Zine 'Dordrecht Monumenteel | Dordts Geboren' abonneren op https://augustijnenhof.nl/tijdschrift.
