Historisch nieuws vanuit de Augustijnenhof. Deel 03: Dordtse pothuizen
Al in de middeleeuwen bestonden er pothuizen, kleine uit- of aanbouwen voor of naast een woonhuis. Anders dan de naam doet vermoeden, zijn pothuizen niet gebouwd voor de opslag van potten en pannen. Het woord pothuis komt van ‘puthuis’. Door het overbouwen van de waterput kon men zo binnenshuis via het souterrain in het puthuis regenwater putten. Dergelijke aanbouwen werden vooral tegen zijgevels van hoekhuizen geplaatst, waar vaak een binnenplaats ontbrak. Pothuizen hadden een enigszins schuin aflopend, plat dak.

Hierboven: Het Pothuis van Jacob Gerritsz. Cuyp
In andere steden zijn er nog veel pothuizen te zien, waarvan het merendeel in Amsterdam. Hoeveel pothuizen er in Dordrecht zijn geweest, is niet bekend. Op de kadastrale kaart van 1832 hebben we er een tiental kunnen traceren, die vrijwel allemaal met de komst van de gemeentelijke stoepen zijn verdwenen.
![]() Huis Samson, op de hoek van de Voorstraat met de Nieuwbrug (RAD551_35187) | ![]() Huis De Croon van Denemarken, hoek van de Wijnstraat met de Nieuwbrug (RAD551_231891) |
Op de hoek van de Kuipershaven met de Aardappelmarkt staat het huis De Hoeck van St. Joost met het adres Aardappelmarkt 1. Het pand bestaat feitelijk uit twee zeventiende-eeuwse huizen die zijn samengevoegd. In de negentiende eeuw zijn de klok- en tuitgevel van de huizen vervangen door lijstgevels. Beide panden hadden een relatief groot pothuis: het hoekhuis aan de zijde van de Kuipershaven en het kleinere huis tegen de voorgevel aan de zijde van de Aardappelmarkt.
![]() Voor en na vervanging van de gevels. | ![]() |
![]() | ![]() |
De foto rechts dateert uit 1937. De broodbakkerij die al vanaf 1708 in dit pand gevestigd was staat te huur, want bakker Van Herk had het bedrijf naar de pas gebouwde Riouwstraat verhuisd. Hij deed dit omdat de Zwijndrechtse Brug in aanbouw was en hij omzetverlies verwachtte vanwege de gevolgen voor het nabijgelegen Zwijndrechts Veer, dat tot 1939 de verkeersverbinding tussen Noord-Brabant en het noorden was. De bakkerij had aan de linkerzijde van de voorgevel een pothuis met een toegangsdeurtje aan de zijkant.

Dat het hier om de hoek staande huis Nieuwe Haven 52 eveneens een pothuis heeft gehad, weten we uit een verzoek van de eigenaresse aan de stad uit 1765. Zij vraagt dan toestemming om het tegen de voorgevel staande pothuis te mogen afbreken, om daarvoor in de plaats een veel grotere uitstek (een kamertje) te mogen maken. Ondanks hevig protest van de buren krijgt ze hiervoor toestemming.
Het plaatsen van een nieuwe voorgevel in 1878 betekende het einde van deze uitstek, de gemeente gaf toestemming onder de voorwaarde dat er binnen de aan te geven rooilijn moest worden gebouwd. Op deze manier zullen er in de negentiende eeuw talloze pothuizen zijn verdwenen en ontstonden de gemeentelijke stoepen.

Te vondeling gelegd
Op 10 Oktober 1712 werd er een zuigeling van naar schatting vier of vijf weken oud te vondeling gelegd. Het werd aangetroffen op het afdakje van een pothuis bij de grote vismarkt. Er was een briefje op zijn luier gespeld met de boodschap dat zijn naam Hans Pieter Telleman was (RAD 9.5.71v, 72v).
Of de baby is achtergelaten op dit pothuis van het pand De Crimpert Salm in de Visstraat weten we niet. Het zou zomaar kunnen…
Maar is het laatste pothuis van Dordrecht nu echt in 1967 verdwenen bij het pand Blauwpoortsplein 17, zoals de restauratiearchitect beweerde? Als hij twintig meter verder was gewandeld, dan had hij gezien dat dit geenszins het geval was. Dordrecht heeft nog één pothuis en dat staat op de westelijke hoek van de Binnen Walevest en de Hoge Nieuwstraat.

Binnen Walevest 106, hoek Hoge Nieuwstraat
Het huis Binnen Walevest 106, met haar voorgevel aan de Hoge Nieuwstraat, is rond 1600 gebouwd. Opmerkelijk is de aanbouw: dit is het enige nog overgebleven pothuis in Dordrecht.
In de thesaurierekening van 1610 wordt daar al over gerept:
“Joost Jacobsz. Cramer woonend bij de blaupoort over ‘t eerste jaer consents van een pothuijsken en daeronder een kelderken.”
Hieruit volgt dat het pothuis in 1609 is gebouwd.
![]() | ![]() |
Kunstschilder Nicolaes Maes is tussen 1648 en 1653 in Amsterdam in de leer geweest bij Rembrandt van Rijn. Nicolaes was rond de twintig jaar oud toen hij in 1654 met de weduwe Adriana Joosten Brouwers trouwde. Adriana was de dochter van schippersgezel Joost Joostensz. Brouwers en Janneken Willems, die in 1617 trouwden en in de Hoge Nieuwstraat woonden.Zowel de Blauwpoort als de huizen links daarvan zijn waarheidsgetrouw afgebeeld. Gelet op de positie van de poort kunnen we het huis waar de Liereman zijn muziek ten gehore brengt, positioneren aan de noordwestzijde van de Hoge Nieuwstraat. Hiermee kan het heel goed het tegenwoordige huis Binnen Walevest 106 zijn. Merkwaardig is de uitbouw, waar de dame uit het venster kijkt. Deze haaks op het huis staande uitbouw komt niet overeen met de rooilijn van de percelen aan de Hoge Nieuwstraat, die vanaf de uitgifte daarvan door de stad niet veranderd is. Maar aan de zijgevel van dit huis staat van oudsher wel een uitbouw, een pothuis.

De tegenwoordige situatie laat zien dat het in 1609 gebouwde pothuis het formaat van een uitbouw heeft gekregen, die echter binnen de rooilijn is gebleven. Zou Nicolaes Maes in zijn fantasie de uitbouw aan de westzijde van het huis een kwartslag hebben gedraaid om het tafereel beter in zicht te krijgen?
Het schilderij werd tussen 1656 en 1658 vervaardigd. Precies in de periode dat Nicolaes De Liereman schilderde, was zijn schoonmoeder eigenaresse van een huis in de Hoge Nieuwstraat, waarin ze aanvankelijk met haar man woonde. Tot 1658 woonde haar met Nicolaes Maes hertrouwde dochter in dat huis, om later naar het Steegoversloot te verhuizen. Ofwel, toen Maes De Liereman schilderde, woonde hij in de Hoge Nieuwstraat als schuin-overbuurman van het gezin dat in het hoekhuis woonde. Hij zou het tafereel zomaar vanaf de stoep voor zijn huis geschilderd kunnen hebben, zoals blijkt uit deze situatietekening:
Opvallend is dat er op het schilderij veel kinderen staan afgebeeld. Wie woonden er in dat hoekhuis? Op 17 januari 1641 werd het door de molensteenkoper Pieter Franse van der Horst gekocht.
Pieter trouwde in 1628 met Anneken Jans Cornelisdochter van Esch. Het gezin van der Horst groeide snel; er worden maar liefst elf kinderen geboren: Jacomijntje in oktober 1629, Janneken in juni 1631, Johannes in december 1632, Francina in april 1635, Franchoijs in november 1636, Pieter in november 1638, Adriaen in december 1640, Corstiaen in februari 1642, Cornelis in maart 1643, Aletta in november 1646 en Lijsbeth in december 1647.
In de wetenschap dat dit gezin tussen 1656-1658 in het huis woonde, gaan we terug naar het schilderij De Liereman. Zou Nicolaes Maes gefantaseerde kinderen hebben geschilderd, terwijl hier zoveel kinderen woonden die hij als schuin-overbuurman beslist persoonlijk kende? Heeft hij als trotse jonge vader ook zijn eigen kinderen hierbij vereeuwigd? Schilderde Nicolaes Maes fantasie of werkelijkheid? We zullen het nooit weten.Maar dat het pothuis er nog staat, weten we wel zeker!

Bron: Jan Willem Boezeman (Augustijnenhof).
U kunt zich gratisop het cultuurhistorisch e-Zine 'Dordrecht Monumenteel | Dordts Geboren' abonneren op https://augustijnenhof.nl/tijdschrift.








